Spring naar inhoud

Jaarrekening 2019

Geconsolideerde balans per 31 december 2019 na resultaatbestemming

in M€         2019 2018
1. ACTIVA          
             
  Vaste activa          
1.1 Immateriële vaste activa       4,9 4,1
1.2 Materiële vaste activa       260,7 269,0
1.3 Financiële vaste activa       1,2 1,9
             
  Totaal vaste activa       266,8 275,0
             
             
  Vlottende activa          
1.4 Voorraden       0,1 0,1
1.5 Vorderingen       34,3 34,6
1.6 Liquide middelen       127,3 114,2
             
  Totaal vlottende activa       161,7 148,9
             
  Totaal activa       428,5 423,9
             
             
2. PASSIVA          
             
2.1 Eigen vermogen       242,4 270,5
             
2.2 Voorzieningen       21,3 23,4
2.3 Langlopende schulden       8,6 8,7
2.4 Kortlopende schulden       156,2 121,3
             
  Totaal passiva       428,5 423,9

Geconsolideerde staat van baten en lasten over 2019

in M€         Rekening
2019
Begroting
2019
Rekening
2018
3. BATEN            
3.1 Rijksbijdragen       311,7 304,2 300,3
3.2 College-, cursus-, les- en examengelden       62,4 61,4 61,2
3.3 Baten werk in opdracht van derden       205,0 193,8 191,6
3.4 Overige baten       101,7 118,4 96,3
               
  Totaal baten       680,8 677,8 649,4
               
               
4. LASTEN            
4.1 Personeelslasten       467,7 441,2 425,6
4.2 Afschrijvingen       37,2 39,0 33,1
4.3 Huisvestingslasten       27,3 29,9 29,4
4.4 Overige lasten       157,8 177,0 153,3
               
  Totaal lasten       690,0 687,1 641,4
               
               
  Saldo baten en lasten       ‑9,2 ‑9,3 8,0
               
               
5. Financiële baten en lasten       ‑0,3 1,1 ‑0,2
6. Belastingen       ‑0,1 ‑0,1 ‑0,6
               
  Resultaat       ‑9,6 ‑8,3 7,2
               
7. Resultaat aandeel van derden       18,5 5,0 11,7
               
  Nettoresultaat       ‑28,1 ‑13,3 ‑4,5

Geconsolideerd kasstroomoverzicht over 2019

in M€ 2019   2018  
Kasstroom uit operationele activiteiten        
Resultaat uit gewone bedrijfsvoering   ‑9,2   8,0
         
Aanpassingen voor aansluiting bedrijfsresultaat        
Aanpassingen voor afschrijvingen 19,8   33,1  
Toename (afname) van voorzieningen ‑2,1   1,4  
Overige aanpasingen voor aansluiting met het bedrijfsresultaat ‑18,5   ‑11,7  
    ‑0,8   22,8
Veranderingen in werkkapitaal        
Toename (afname) van kortlopende vorderingen 0,3   2,9  
Toename (afname) van kortlopende schulden 35,1   ‑9,1  
    35,4   ‑6,2
Kasstroom uit bedrijfsoperaties   25,4   24,6
         
Ontvangen interest   0,3   0,3
Betaalde interest   0,1   0,1
Mutaties overige financiële vaste activa   ‑0,5   ‑0,4
Betaalde winstbelasting   0,1   0,6
Totaal kasstroom uit operationele activiteiten   25,0   23,8
         
Kasstroom uit investeringsactiviteiten        
Verwerving van immateriële vaste activa 1,9   0,1  
Ontvangsten uit hoofde van vervreemding van immateriële vaste activa 0,0   0,0  
Verwerving van materiële vaste activa 10,5   18,0  
Ontvangsten uit hoofde van vervreemding van materiële vaste activa 0,0   0,0  
Investeringen in deelnemingen en samenwerkingsverbanden ‑0,1   0,1  
Toename (afname) leningen aan OCW en EZ ‑0,6   ‑0,6  
Toename (afname) overige financiële vaste activa 0,0   0,0  
Totaal kasstroom uit investeringsactiviteiten   11,7   17,6
         
Kasstroom uit financieringsactiviteiten        
Toename (afname) langlopende schulden ‑0,1   ‑0,5  
Ontvangsten of aflossingen langlopende schulden 0,1   ‑0,3  
Totaal kasstroom uit financieringsactiviteiten   ‑0,2   ‑0,2
Overige balansmutaties   0,0   0,0
Toename (afname) van liquide middelen   13,1   6,0
         
Stand liquide middelen per 1 januari   114,2   108,2
Stand liquide middelen per 31 december   127,3   114,2
Mutatie liquide middelen   13,1   6,0

Toelichting algemeen

De Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), gevestigd op het adres Burgemeester Oudlaan 50, 3062 PA Rotterdam ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 24495550 0000, is op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een publiekrechtelijke rechtspersoon. De EUR bestaat uit de universiteit en dochterondernemingen: EUR Holding B.V. met haar werkmaatschappijen, Rotterdam School of Management B.V., Stichting Erasmus Sportaccommodaties en Stichting Erasmus Sport. De activiteiten van de EUR en haar groepsmaatschappijen bestaan voornamelijk uit het organiseren en tot stand brengen van initieel en niet-initieel onderwijs alsmede maatschappelijk relevante onderzoeksactiviteiten.

Toegepaste standaarden

De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de stellige uitspraken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, die uitgegeven is door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Deze bepalingen zijn van toepassing op grond van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. In de jaarrekening zijn de bedragen vermeld in miljoenen euro’s (tenzij anders aangegeven).

Verslagleggingsperiode

Deze jaarrekening heeft betrekking op het boekjaar 2019, dat is geëindigd op balansdatum 31 december 2019.

Continuïteit

Deze jaarrekening is opgesteld uitgaande van de continuïteitsveronderstelling.

Grondslagen voor consolidatie

In de consolidatie worden de financiële gegevens van de instelling en haar groepsmaatschappijen opgenomen. Dit zijn rechtspersonen waarin de instelling overheersende zeggenschap, direct of indirect, kan uitoefenen doordat zij beschikt over de meerderheid van de stemrechten of op enig andere wijze de financiële en operationele activiteiten kan beheersen. Nieuw verworven deelnemingen worden in de consolidatie betrokken vanaf het tijdstip waarop beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend. Afgestoten deelnemingen worden in de consolidatie betrokken tot het tijdstip van beëindiging van deze invloed.

De activa en passiva alsmede de baten en lasten van groepsmaatschappijen worden voor 100% in de consolidatie betrokken. Het aandeel van derden in het groepsvermogen en in het groepsresultaat wordt afzonderlijk vermeld.

Op grond van artikel 2:407 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek mogen groepsmaatschappijen in sommige gevallen buiten de geconsolideerde jaarrekening blijven. De verplichting tot consolidatie geldt niet voor gegevens van in de consolidatie te betrekken maatschappijen wier gezamenlijke betekenis te verwaarlozen is op het geheel.

Intercompany-transacties, intercompany-winsten en onderlinge vorderingen en schulden tussen groepsmaatschappijen en andere in de consolidatie opgenomen rechtspersonen worden geëlimineerd. Al deze intercompany-transacties zijn onder normale marktvoorwaarden aangegaan.

Waarderingsgrondslagen van groepsmaatschappijen zijn waar nodig gewijzigd om aansluiting te krijgen bij de geldende waarderingsgrondslagen voor de groep.

Alle groepsmaatschappijen evenals de deelnemingen worden aangemerkt als verbonden partijen.

Erasmus MC

Alle baten uit Onderwijs en Onderzoek (O&O-gelden) van het Erasmus MC, de daaraan toe te rekenen lasten van de facultaire taken en de baten en lasten van de te consolideren O&O-satellietorganisaties van het medisch cluster zijn in de geconsolideerde jaarrekening opgenomen conform de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. Er is sprake van verantwoordelijkheid voor de O&O-activiteiten op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en de hieruit voorvloeiende GUO en om die reden zijn de kosten en opbrengsten uit O&O-activiteiten geconsolideerd. De balansgegevens zijn gezien het daartoe met het Erasmus MC gesloten convenant niet geïncorporeerd in dit jaarverslag. Dit is conform brief RvB/MM/MS/ ef/0059750/223.222 datum 12 december 2002, die OCW bij brief WO/F/2003/4057 datum 3 februari 2003 heeft geaccordeerd. Dit is een consistente gedragslijn met voorgaande jaren.

In de geconsolideerde jaarrekening van Erasmus MC O&O deel zijn de volgende rechtspersonen opgenomen:

  • Erasmus MC O&O Holding B.V.
  • Sophia Research B.V.
  • Thoraxcentrum Research B.V.
  • ViroNovative B.V.
  • Eurza Arbo B.V.
  • Neurasmus B.V.
  • Erasmus MC Diabetesstation B.V.
  • Erasmus MC Schiermonnikoog B.V.
  • MI&EUR  Implementation and Exploitation B.V.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht bestaan uit de liquide middelen. Ontvangen en betaalde rente en dividenden zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten. Investeringen in groepsmaatschappijen worden verwerkt tegen de verkrijgingsprijs onder aftrek van binnen de geacquireerde onderneming aanwezige geldmiddelen.

Gebruik van schattingen

De opstelling van de jaarrekening vereist dat het management oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze schattingen. De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld. Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting wordt herzien en in toekomstige perioden waarvoor de herziening gevolgen heeft.

Transacties in vreemde valuta’s

Transacties luidend in vreemde valuta’s worden in de betreffende functionele valuta van de groepsmaatschappijen omgerekend tegen de geldende wisselkoers op de transactiedatum. In vreemde valuta’s luidende monetaire activa en verplichtingen worden per balansdatum in de functionele valuta omgerekend tegen de op die datum geldende wisselkoers. Valutakoersverschillen die voortkomen uit de afwikkeling van monetaire posten, dan wel voortkomen uit de omrekening van monetaire posten in vreemde valuta worden verwerkt in de staat van baten en lasten in de periode dat zij zich voordoen.

Financiële instrumenten

Financiële instrumenten omvatten investeringen in aandelen en obligaties, handels- en overige vorderingen, geldmiddelen, leningen en overige financieringsverplichtingen, handelsschulden en overige te betalen posten. Financiële instrumenten worden bij de eerste opname verwerkt tegen reële waarde. Na de eerste opname worden financiële instrumenten die geen deel uitmaken van de handelsportefeuille gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieve rentemethode, verminderd met bijzondere waardeverminderingsverliezen.

De EUR kent uitsluitend primaire financiële instrumenten die dienen ter financiering van haar operationele activiteiten of die direct daaruit voortvloeien zoals (langlopende) vorderingen en schulden. De EUR gebruikt geen derivaten noch een andere vorm van actieve hedging om financiële risico’s af te dekken.

Door de afwezigheid van uitgegeven en opgenomen leningen aan derden loopt de EUR geen renterisico. Renterisico is het risico dat de waarde van een financieel instrument zal fluctueren als gevolg van veranderingen van de marktrente. Ook is er geen sprake van een kasstroomrisico. Dat wil zeggen dat het risico dat toekomstige kasstromen, verbonden aan een monetair financieel instrument zullen fluctueren in omvang, afwezig is.

Door de stevige liquiditeitspositie van de EUR achten wij het nagenoeg uitgesloten dat er sprake is van een liquiditeitsrisico. Het liquiditeitsrisico is het risico dat de rechtspersoon niet de mogelijkheid heeft om de financiële middelen te verkrijgen die nodig zijn om aan de verplichtingen te voldoen.

Gegeven de kenmerken van de partijen waarmee de EUR handelt, met name overheid, overheidsorganen en EU, is er sprake van een beperkt kredietrisico op vorderingen. Kredietrisico is het risico dat de ene contractpartij van een financieel instrument niet aan haar verplichting zal voldoen, waardoor de rechtspersoon een financieel verlies te verwerken krijgt.

De EUR loopt een beperkt valutarisico omdat de meeste transacties in euro’s plaatsvinden.

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Algemeen

Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar de onderwijsinstelling zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Activa en passiva (met uitzondering van het groepsvermogen) worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs of (lagere) actuele waarde. Indien geen specifieke waarderingsgrondslag is vermeld, vindt waardering plaats tegen de verkrijgingsprijs of nominale waarde. In de balans, de staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht zijn referenties opgenomen. Voor deze referenties wordt verwezen naar de toelichting. Posten in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen slotkoers. Koersverschillen worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.

Een in de balans opgenomen actief of verplichting blijft op de balans als een transactie (met betrekking tot het actief of de verplichting) niet leidt tot een belangrijke verandering in de economische realiteit met betrekking tot het actief of de verplichting.

Een actief of verplichting wordt niet langer in de balans opgenomen indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle rechten op economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot het actief of de verplichting aan een derde zijn overgedragen. Verder wordt een actief of een verplichting niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en/of betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Bijzondere waardeverminderingen van vaste activa

Door de groep wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er aanwijzingen zijn dat een vast actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief vastgesteld. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroom genererende eenheid waartoe het actief behoort. Van een bijzondere waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde; de realiseerbare waarde is de hoogste van de opbrengstwaarde of de bedrijfswaarde.

Immateriële vaste activa

De kosten van aanschaf en implementatie van universitaire administratieve systemen worden als immateriële vaste activa geactiveerd. Ook zelf ontwikkelde immateriële vaste activa worden geactiveerd. Voor het nog niet afgeschreven deel van de zelfontwikkelde immateriële vaste activa wordt een wettelijke reserve gevormd.

De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Er wordt tijdsevenredig afgeschreven over de verwachte gebruiksduur. De verwachte gebruiksduur is afhankelijk van de soort investering en varieert van 5 tot 9 jaar. Over de nog niet opgeleverde immateriële vaste activa wordt niet afgeschreven.

De afschrijvingstermijnen in jaren betreft:
1.   Licenties       5 jaar
2.   Software      9 jaar

Materiële vaste activa

Bedrijfsgebouwen en -terreinen worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs plus bijkomende kosten of vervaardigingsprijs, onder aftrek van lineaire afschrijvingen gedurende de geschatte economische levensduur. Op terreinen wordt niet afgeschreven. Er wordt rekening gehouden met de bijzondere waardeverminderingen die op balansdatum worden verwacht. Over de nog niet opgeleverde materiële vaste activa wordt niet afgeschreven. De afschrijving vindt plaats met ingang van het moment van oplevering. Uitgezonderd het gebouw EUC gelden er geen beperkingen van eigendom op de materiële vaste activa.

Terreinen en gebouwen

De afschrijving vindt plaats conform de componentenmethode waarbij wordt uitgegaan van de volgende componenten:

1.  Casco  60 jaar
2.  Afbouw  36 jaar
3.  Inbouwpakket  10 / 18 jaar
4.  Technische installaties  5 / 9 / 18 jaar
5.  Tijdelijke huisvesting 5 / 10 jaar
6.  Terreininrichting  10 / 20 jaar
7.  Gebouw EUC 40 jaar

Versnelde afschrijvingen vinden plaats op activa van gebouwen waarvoor renovatie of sloop staat gepland.

Overige materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs inclusief direct toerekenbare kosten, onder aftrek van lineaire afschrijvingen gedurende de verwachte toekomstige gebruiksduur, of lagere bedrijfswaarde.

De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschaffingskosten van grond- en hulpstoffen en kosten die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de vervaardiging inclusief installatiekosten.

Inventaris, apparatuur (incl. 1ste inrichting)

De EUR hanteert een activeringsgrens voor een roerend goed met een aanschafwaarde van meer dan k€ 15,0. De afschrijvingstermijnen in jaren zijn afhankelijk van de soort investering en variëren van 3 tot 15 jaar. Als er een planmatige bulk aanschaf plaatsvindt >= k€ 200,0 vanuit 1 offerte-opdracht dan worden deze geactiveerd en conform de passende activaklasse o.b.v. de economische levensduur afgeschreven.

Subsidies op investeringen worden in mindering gebracht op de verkrijgings- of vervaardigingsprijs van de activa waarop de subsidies betrekking hebben.

Financiële vaste activa

Deelnemingen

Deelnemingen waar invloed van betekenis kan worden uitgeoefend worden gewaardeerd volgens de nettovermogenswaarde methode. Invloed van betekenis wordt in ieder geval verondersteld aanwezig te zijn bij het kunnen uitbrengen van 20% of meer van de stemrechten.

De nettovermogenswaarde wordt berekend volgens de grondslagen die gelden voor de geconsolideerde jaarrekening; voor deelnemingen waarvan onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor aanpassing aan deze grondslagen, wordt uitgegaan van de waarderingsgrondslagen van de desbetreffende deelneming. Indien de waardering van een deelneming volgens de nettovermogenswaarde negatief is, wordt deze op nihil gewaardeerd. Indien en voor zover de EUR in deze situatie geheel of gedeeltelijk instaat voor de schulden van de deelneming, dan wel het stellige voornemen heeft de deelneming tot betaling van haar schulden in staat te stellen, wordt een voorziening getroffen dan wel een eventuele vordering afgeboekt.

De eerste waardering van gekochte deelnemingen is gebaseerd op de reële waarde van de identificeerbare activa en passiva op het moment van acquisitie. Voor de vervolgwaardering worden, uitgaande van de waarden bij eerste waardering, de grondslagen toegepast die gelden voor de geconsolideerde jaarrekening. Deelnemingen waarop geen invloed van betekenis kan worden uitgeoefend, worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Indien sprake is van een duurzame waardevermindering vindt waardering plaats tegen deze lagere waarde; afwaardering vindt plaats ten laste van het resultaat.

Vorderingen

De onder financiële vaste activa opgenomen vorderingen zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van de onderneming duurzaam te dienen. De onder financiële vaste activa opgenomen vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie, daarna vindt waardering plaats tegen geamortiseerde kostprijs op basis van effectieve rentevoet. Indien geen sprake is van agio of disagio en transactiekosten is deze waardering gelijk aan de nominale waarde.

Voorraden

De waarderingsgrondslag voor de voorraden is op basis van fifo gewaardeerd tegen kostprijs of lagere netto-opbrengstwaarde.

Vorderingen

Algemeen

Kortetermijnvorderingen worden gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie veelal de nominale waarde. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering. De stand van de voorziening wordt statisch bepaald.

Vorderingen OCW

Tot de kortlopende vorderingen behoort tevens een door het ministerie van OCW toegepaste kaskorting op de Rijksbijdrage. Dit betreft het deel van de Rijksbijdrage dat eerst in het volgende kalenderjaar zal worden uitbetaald.

Verder heeft het ministerie van OCW in 2009 en 2010 compensatie verleend voor de invoering van de bachelor-masterstructuur in de periode 2003-2008. Deze compensatie wordt in de periode 2011-2021 uitbetaald via de Rijksbijdrage. Deze uitbetaling is als langlopende vordering geclassificeerd.

Onderhanden projecten in opdracht van derden

De waardering onderhanden projecten betreffen de ontvangen bedragen onder aftrek van directe materiaal- en arbeidskosten, met een opslag voor aan de dienstverlening gerelateerde indirecte vaste en variabele kosten eventueel vermeerderd met een toeslag voor indirecte kosten voor met name huisvesting, administratie en algemeen beheer.

De toerekening van opbrengsten, kosten en winstneming op onderhanden projecten geschiedt naar rato van de verrichte prestaties bij de uitvoering van het werk (‘percentage of completion’-methode) per balansdatum op basis van de tot de balansdatum gemaakte projectkosten in verhouding tot de geschatte totale projectkosten. Uitgaven die verband houden met projectkosten die na de balansdatum tot te verrichten prestaties leiden, worden als activa verwerkt indien het waarschijnlijk is dat ze in een volgende periode zullen leiden tot opbrengsten. Verwachte verliezen op onderhanden projecten worden onmiddellijk in de staat van baten en lasten als last verwerkt.

In de balans wordt een onderhanden project afhankelijk van het saldo opgenomen onder ‘Waardering onderhanden projecten’ (activa) dan wel ‘Vooruitgefactureerde en -ontvangen termijnen projecten’ (passiva).

Verwachte verliezen op onderhanden projecten worden direct genomen in de periode waarin komt vast te staan dat er sprake is van een verliesgevend project. Indien sprake is van een eigen bijdrage in een project vanuit de Rijksbijdrage (cofinanciering) wordt dit niet als verlies beschouwd. 

Effecten

Effecten die behoren tot de handelsportefeuille worden gewaardeerd tegen reële waarde veelal de slotkoers. Waardeveranderingen worden rechtstreeks in het resultaat verantwoord. De EUR heeft een goedgekeurd treasury statuut. Qua publieke middelen wordt volledig voldaan aan de regeling beleggen, lenen en derivaten. Beleggingen vinden plaats met minimaal een hoofdsomgarantie. De EUR belegt uitsluitend bij instellingen met minimaal een A-rating.

Liquide middelen

Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en direct opeisbare deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Waardering vindt plaats tegen de nominale waarde.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen bestaat uit algemene reserves en bestemmingsreserves en/of-fondsen. Hierin is tevens een segmentatie opgenomen naar publieke en private middelen. De bestemmingsreserves zijn reserves met een beperktere bestedingsmogelijkheid, welke door het bestuur is aangebracht.

De bestemmingsfondsen zijn reserves met een meer beperkte bestedingsmogelijkheid, welke door derden zijn aangebracht.

Voorzieningen

Algemeen
Onder de voorzieningen worden verstaan: de personeelsvoorzieningen, voorzieningen voor verlieslatende contracten, voorzieningen voor milieuverplichtingen en –risico’s en voorzieningen voor sloopkosten.

Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen en verliezen die op de balansdatum bestaan, waarvan de omvang onzeker is maar betrouwbaar te schatten is en het waarschijnlijk is dat er voor de afwikkeling van de verplichting een uitstroom van middelen noodzakelijk is. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld.

Personeelsvoorzieningen
De EUR conformeert zich aan de richtlijn van de jaarverslaggeving met betrekking tot de vorming van een voorziening voor personeelsbeloningen die gewaardeerd wordt tegen de contante waarde. De EUR treft voorzieningen voor verplichtingen die voortvloeien uit reorganisaties waarover het bevoegd gezag vóór balansdatum een besluit heeft genomen en gecommuniceerd. De verplichtingen bestaan uit toekomstige wachtgeldlasten die als gevolg van de reorganisaties kunnen ontstaan en uit de lasten van sociale plannen en andere regelingen die enerzijds gericht zijn op het voorkomen van gedwongen ontslagen en anderzijds op reductie van uitkeringslasten, alsmede lasten uit hoofde van personeel dat vrijgesteld is van prestaties.

Verplichtingen die voortvloeien uit niet-reorganisaties worden verantwoord onder de voorziening sociaal beleid, reorganisatie en rechtspositioneel. De voorziening wordt gewaardeerd tegen de contante waarde. Het rentepercentage is dit jaar bepaald op basis van deelname aan de leningscapaciteit op basis van schatkistbankieren vermeerderd met 0,1%.

Milieuverplichtingen en -risico’s en sloopkosten
De voorziening voor milieuverplichtingen en -risico’s en de voorziening voor sloopkosten zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.

Langlopende schulden

Schulden met een resterende looptijd van meer dan één jaar worden aangeduid als langlopend. Het aflossingsbedrag van het lopende jaar wordt onder de kortlopende schulden opgenomen.

Langlopende schulden worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. De eerste waardering bestaat uit het ontvangen bedrag, rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten.

Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt samen met de verschuldigde rentevergoeding zodanig bepaald dat de effectieve rente gedurende de looptijd van de schulden in de staat van baten en lasten wordt verwerkt.

Kortlopende schulden

Kortlopende schulden worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs.

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Algemeen

De baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn verwezenlijkt. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het verslagjaar, worden in acht genomen, indien zij voor het vaststellen van de jaarrekening bekend zijn geworden.

Opbrengstverantwoording

Rijksbijdragen, overige overheidsbijdragen en subsidies
De Rijksbijdrage (lumpsum) wordt tegen reële waarde op basis van de jaarlijkse toekenning in de baten opgenomen.

College- en cursusgelden
De collegegelden worden tegen de reële waarde in de baten opgenomen en toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben, waarbij ervan uitgegaan is dat reguliere onderwijstaken gelijkmatig over het collegejaar zijn gespreid.

Verlenen van diensten
Opbrengsten uit het verlenen van diensten worden tegen de reële waarde en naar rato van de geleverde prestaties opgenomen in de baten. Dat wil zeggen dat het verantwoorde bedrag is gebaseerd op de verrichte diensten tot aan de balansdatum, in verhouding tot de in totaal te verrichten diensten.

Projectopbrengsten en projectkosten
Voor onderhanden projecten, waarvan het resultaat op betrouwbare wijze kan worden bepaald, worden de projectopbrengsten tegen reële waarde opgenomen als baten werk in opdracht van derden. De projectkosten worden opgenomen in de staat van baten en lasten, naar rato van de verrichte prestaties per balansdatum (dit is volgens de de ‘Percentage of Completion’-methode, ofwel de PoC- methode).

De voortgang van de verrichte prestaties wordt bepaald op basis van de tot de balansdatum gemaakte projectkosten in verhouding tot de geschatte totale projectkosten. Als het resultaat (nog) niet op betrouwbare wijze kan worden ingeschat, dan worden de opbrengsten verwerkt als baten werk in opdracht van derden in de staat van baten en lasten tot het bedrag van de gemaakte projectkosten, dat waarschijnlijk kan worden verhaald; de projectkosten worden verwerkt in de staat van baten en lasten in de periode waarin ze zijn gemaakt. Zodra het resultaat wel op betrouwbare wijze kan worden bepaald, vindt opbrengstverantwoording plaats volgens de PoC-methode naar rato van de verrichte prestaties per balansdatum.

Het resultaat wordt bepaald als het verschil tussen de projectopbrengsten en projectkosten. Projectopbrengsten zijn de contractueel overeengekomen bedragen inclusief meer- en minderwerk, claims en vergoedingen. Voor zover het waarschijnlijk is dat deze worden gerealiseerd en betrouwbaar kunnen worden bepaald. Projectkosten zijn de directe-, indirecte- en toegerekende kosten die betrekking hebben op de activiteiten die contractueel aan de opdrachtgever kunnen worden toegerekend.

Indien het waarschijnlijk is dat de totale projectkosten de totale projectopbrengsten overschrijden, dan worden de verwachte verliezen onmiddellijk in de staat van baten en lasten verwerkt, direct in het saldo onderhanden projecten.

Overige baten

Overige baten bestaan uit baten uit verhuur, detachering personeel, schenking, sponsoring, deelnemersbijdrage, studentenbijdrage en overige baten en worden tegen reële waarde in de baten opgenomen.

Overheidssubsidies

Exploitatiesubsidies worden als baten verantwoord in de staat van baten en lasten in het jaar waarin de gesubsidieerde kosten zijn gemaakt of opbrengsten zijn gederfd, of wanneer zich een gesubsidieerd exploitatietekort heeft voorgedaan. De baten worden tegen reële waarde verantwoord als het waarschijnlijk is dat deze worden ontvangen en de instelling de condities voor ontvangst kan aantonen.

Subsidies met betrekking tot investeringen in materiële vaste activa worden in mindering gebracht op het desbetreffende actief.

Afschrijvingen

Op de immateriële en materiële vaste activa wordt tijdsevenredig en lineair afgeschreven. Op de onder materiële vaste activa opgenomen gebouwen wordt met ingang van het moment van oplevering afgeschreven over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. Op terreinen wordt niet afgeschreven. Materiële vaste activa worden vanaf het moment van ingebruikname afgeschreven. Indien een schattingswijziging plaatsvindt van de economische levensduur, dan worden de toekomstige afschrijvingen aangepast.

Boekwinsten en -verliezen bij verkoop van materiële vaste activa zijn begrepen onder de afschrijvingskosten.

Personeelsbeloningen

Personeelsbeloningen
Lonen, salarissen en sociale lasten worden op grond van de arbeidsvoorwaarden verwerkt in de staat van baten en lasten voor zover ze verschuldigd zijn aan werknemers. Toerekening vindt plaats op basis van geleverde prestaties. Voor zover nog niet uitbetaald, wordt de personeelsbeloning als verplichting op de balans opgenomen. Indien de reeds betaalde bedragen de verschuldigde beloningen overtreffen, wordt het meerdere opgenomen als een overlopend actief voor zover er sprake zal zijn van terugbetaling door het personeel of van verrekening met toekomstige betalingen door de EUR. 

Overige personele lasten
Overige personele lasten, spaarverlof en jubilea etc., worden verwerkt of opgebouwd vanaf het momen dat de verplichting ontstaat.

Pensioenen
De pensioenpremies worden verantwoord als personeelskosten wanneer deze zijn verschuldigd. Vooruitbetaalde premies worden opgenomen als overlopende activa indien dit tot een terugstorting leidt of tot een vermindering van toekomstige betalingen.

De EUR heeft een pensioenregeling bij het pensioenfonds ABP, die wordt gekwalificeerd als een toegezegde pensioenregeling. Op grond van de uitvoeringsovereenkomst met dit fonds en de pensioenovereenkomst met de werknemers heeft de EUR in principe geen andere verplichting dan de betaling van de jaarlijks verschuldigde pensioenpremies. Indien de dekkingsgraad dusdanig laag wordt, kan het pensioenfonds ABP onder meer een opslag op de premie in rekening brengen. De werkelijke dekkingsgraad was op balansdatum 97,8%. De gemiddelde dekkingsgraad over 2019 was 95,8%.

Financiële baten en lasten

Rentebaten en rentelasten
Rentebaten en rentelasten worden tijdsevenredig verwerkt, rekening houdend met de effectieve rentevoet van de betreffende activa en passiva. Bij de verwerking van de rente wordt rekening gehouden met de transactiekosten op de leningen. Daarnaast zijn de renteverplichtingen van de lopende leningen en leaseverplichtingen begrepen in de financiële baten en lasten.

Waardeveranderingen financiële vaste activa en effecten
Waardeveranderingen van effecten die behoren tot de handelsportefeuille worden rechtstreeks verwerkt in de financiële baten en lasten.

Financiële lease

Het leaseobject (en de daarmee samenhangende verplichting) wordt bij de aanvang van de leaseperiode in de balans verwerkt tegen de reële waarde van het leaseobject of, indien deze lager is, tegen de contante waarde van de minimale leasebetalingen. Beide waarden worden bepaald op het tijdstip van het aangaan van de leaseovereenkomst. De toegepaste rentevoet bij de berekening van de contante waarde is de impliciete rentevoet. Indien deze rentevoet praktisch niet te bepalen is, wordt de marginale rentevoet gehanteerd. De initiële directe kosten worden opgenomen in de eerste waardering van het leaseobject.

De leasebetalingen worden gesplitst in rentelasten en aflossing van de uitstaande leaseverplichting. De rentelasten worden gedurende de leaseperiode zodanig toegerekend aan elke periode dat dit resulteert in een constante periodieke rentevoet over de resterende nettoverplichting met betrekking tot de financiële lease. Voorwaardelijke leasebetalingen worden als last verwerkt in de periode dat aan de voorwaarden tot betaling wordt voldaan.

Aandeel in het resultaat van niet-geconsolideerde ondernemingen waarin wordt deelgenomen

Als resultaat van deelnemingen waarin invloed van betekenis wordt uitgeoefend op het zakelijke en financiële beleid, wordt opgenomen het aan de instelling toekomende aandeel in het resultaat van deze deelnemingen. Dit resultaat wordt bepaald op basis van de bij EUR geldende grondslagen voor waardering en resultaatbepaling. Bij deelnemingen waarin geen invloed van betekenis op het zakelijke en financiële beleid wordt uitgeoefend, wordt het dividend als resultaat aangemerkt. Verwerking hiervan vindt plaats onder de financiële baten en lasten.

Toelichting behorende tot de geconsolideerde balans

Vaste activa

1.1 Immateriële vaste activa

M€ 4,9 - (2018: M€ 4,1)

  Ontwikkelings
kosten
Conc. Verg. & rechten
v. Intell. Eigendom
Totaal
Aanschafprijs 0,4 8,8 9,2
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑0,2 ‑4,9 ‑5,1
Boekwaarde 1 januari 2019 0,2 3,9 4,1
       
Investeringen 0,0 1,9 1,9
Desinvesteringen ‑0,1 ‑0,1 ‑0,2
Mutatie 0,0 0,0 0,0
Afschrijvingen ‑0,1 ‑1,0 ‑1,1
Afschrijving op desinvestering 0,1 0,1 0,2
       
Aanschafprijs 0,3 10,6 10,9
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑0,2 ‑5,8 ‑6,0
Boekwaarde 31 december 2019 0,1 4,8 4,9

1.2 Materiële vaste activa

M€ 260,7 - (2018: M€ 268,9)

  Gebouwen en terreinen Inventaris en app. (incl. 1ste inrichting) In uitvoering en vooruitbetalingen Totaal
Aanschafprijs 402,2 38,3 8,7 449,2
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑160,6 ‑19,7 0,0 ‑180,3
Boekwaarde 1 januari 2019 241,6 18,6 8,7 268,9
         
Investeringen 0,6 2,5 7,4 10,5
Desinvesteringen ‑0,6 ‑4,0 0,0 ‑4,6
Mutatie 6,7 0,8 ‑7,5 0,0
Afschrijvingen ‑13,8 ‑4,9 0,0 ‑18,7
Afschrijving op desinvestering 0,6 4,0 0,0 4,6
         
Aanschafprijs 408,9 37,6 8,5 455,0
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑173,7 ‑20,6 0,0 ‑194,3
Boekwaarde 31 december 2019 235,1 17,0 8,5 260,7

De EUR is in 2014 een financial lease contract met de gemeente Rotterdam aangegaan voor een onderwijsgebouw met een looptijd van 40 jaar. De netto investering zoals verantwoord in de post Gebouwen en terreinen bedroeg in 2014 M€ 9,5. Dit pand is geen juridisch eigendom van de EUR.

WOZ en verzekerde waarde gebouwen / terreinen, bedrijfsuitrusting / inventaris en boeken /mediacollectie:

(in M€)

  WOZ-
waarde
Peildatum Verzekerde
waarde
Peildatum
Gebouwen en terreinen 340,2 2018 490,1 2017
Bedrijfsuitrusting en inventaris     150,8 2017
Boeken / mediacollectie     20,2 2017

1.3 Financiële vaste activa

M€ 1,2 - (2018: M€ 1,9)

  Boekwaarde 1 jan.2019 Invest. en verstr. leningen Desinvest.en afgel.leningen Boekwaarde 31 dec.2019
Vorderingen op andere deelnemingen1 0,2 0,0 ‑0,1 0,1
Vorderingen op OCW2 1,6 0,0 ‑0,6 1,0
Overige vorderingen3 0,1 0,0 0,0 0,1
  1,9 0,0 ‑0,7 1,2

Vlottende activa

1.4 Voorraden

M€ 0,1 - (2018: M€ 0,1)

  2019 2018    
Gebruiksgoederen 0,1 0,1    

1.5 Vorderingen

M€ 34,3 - (2018: M€ 34,6). Onder de vorderingen zijn opgenomen:

  2019   2018  
Debiteuren 11,5   15,6  
OCW 1 0,9   1,1  
Gemeenten en GR's 0,1   0,3  
Studenten / deelnemers / cursisten 1,1   1,2  
Waardering onderhanden projecten 5,6   3,6  
Overige vorderingen 0,3   0,3  
Voorzieningen wegens oninbaarheid vorderingen ‑1,3   ‑1,3  
    18,2   20,8
Vooruitbetaalde kosten 5,4   5,0  
Verstrekte voorschotten 0,4   0,4  
Overige overlopende activa 10,3   8,4  
    16,1   13,8
    34,3   34,6

Alle vorderingen hebben een looptijd korter dan een jaar.

1.6 Liquide middelen

M€ 127,3 - (2018: M€ 114,2). Het saldo liquide middelen is als volgt opgebouwd:

  2019 2018    
Tegoeden op bankrekeningen 58,9 57,1    
Schatkistbankieren 68,4 57,1    
  127,3 114,2    

2.1 Eigen vermogen

M€ 242,4 - (2018: M€ 270,5). Het eigen vermogen is opgebouwd uit de algemene reserve en bestemmingsreserves en –fondsen (onderverdeeld naar publiek c.q. privaat).

  Stand per 1 jan. 2019 Mutatie Resultaat Stand per 31 dec. 2019
Algemene reserve 110,6 8,5 ‑26,9 92,2
Bestemmingsreserve (publiek)        
Strategische ruimte1 22,6 ‑6,8 0,0 15,8
Gelden vanwege het sectoroverleg 2,6 0,0 ‑0,3 2,3
Reserve vh verm.uit onroerende goederen2 72,9 0,0 0,0 72,9
Investeringsreserve 2,4 ‑0,2 ‑0,4 1,8
Dividend RSM B.V. 0,8 0,0 0,0 0,8
Vervangingsreserves 0,1 0,0 ‑0,1 0,0
Overige3 20,8 ‑1,1 ‑0,5 19,2
  122,2 ‑8,1 ‑1,3 112,8
Bestemmingsreserve (privaat)        
EUR Holding B.V. 25,2 ‑0,4 ‑0,1 24,7
Rotterdam School of Management B.V. 11,0 0,0 0,2 11,2
  36,2 ‑0,4 0,1 35,9
Bestemmingsfonds (privaat)        
Tinbergen Instituut 0,4 0,0 0,1 0,5
         
Andere wettelijke reserves        
EUR Holding B.V. 0,2 0,0 ‑0,1 0,1
Erasmus Sport Centrum 0,9 0,0 0,0 0,9
Erasmus Sportaccommodaties 0,0 0,0 0,0 0,0
  1,1 0,0 ‑0,1 1,0
         
  270,5 0,0 ‑28,1 242,4

Het garantievermogen is gelijk aan het eigen vermogen.

De bedragen in de kolom mutatie hebben grotendeels betrekking op:

  • Bijstelling bestemde reserves strategische ruimte M€ 6,8 en overige reserveringen M€ 1,1 ten gunste van de  algemene reserve;
  • Dividenduitkering door EUR Holding B.V. aan de EUR ad M€ 0,4.

Aansluiting geconsolideerde vermogen met het enkelvoudige vermogen

Het geconsolideerde vermogen wijkt af van het eigen vermogen in de enkelvoudige jaarrekening. Deze afwijking wordt in de onderstaande tabel uiteengezet.

  Stand per 1 jan. 2019 Mutatie Resultaat Stand per 31 dec. 2019
Enkelvoudige vermogen 269,6 0,0 ‑28,1 241,5
Erasmus Sport Centrum 0,9 0,0 0,0 0,9
Erasmus Sportaccommodaties 0,0 0,0 0,0 0,0
         

2.2 Voorzieningen

M€ 21,3 - (2018: M€ 23,4). Het verloop van de voorzieningen is als volgt:

  Personeelsvoorzieningen Milieuvoorziening Sloopvoorziening Totaal
Stand per 1 januari 2019 13,7 7,7 2,0 23,4
         
Dotaties 7,0 0,2 0,0 7,2
Verandering disconteringsvoet / oprenting 0,2 0,3 0,0 0,5
Vrijval ‑1,2 0,0 ‑2,0 ‑3,2
Onttrekkingen ‑6,4 ‑0,2 0,0 ‑6,6
Stand per 31 december 2019 13,3 8,0 0,0 21,3
         
Kortlopende deel
< 1 jaar
5,7 0,0 0,0 5,7
Langlopende deel
> 1 jaar
7,6 8,0 0,0 15,6

Personele voorzieningen

De personele voorzieningen zijn als volgt onderverdeeld:

  Stand
per 1 jan.
2019
Dotatie Verandering disc. voet / oprenting Vrijval Onttrekking Stand
per 31 dec.
2019
Kortl. deel
< 1 jaar
Langl. deel
> 1 jaar
Werkloosheidsbijdragen 2,4 1,4 0,0 0,0 ‑1,7 2,1 1,1 1,0
Soc.beleid, reorganisatie en rechtspositioneel 2,4 1,8 0,0 ‑0,8 ‑1,5 1,9 1,0 0,9
Verlof sparen en sabbatical leave 4,2 0,8 0,0 ‑0,3 ‑0,9 3,8 1,7 2,1
Jubileumvoorziening 3,2 0,1 0,2 0,0 ‑0,3 3,2 0,2 3,0
Transitievergoeding 0,7 0,8 0,0 ‑0,1 ‑0,3 1,1 0,6 0,5
Langdurig zieken 0,4 2,1 0,0 0,0 ‑1,3 1,2 1,1 0,1
Overige 0,4 0,0 0,0 0,0 ‑0,4 0,0 0,0 0,0
  13,7 7,0 0,2 ‑1,2 ‑6,4 13,3 5,7 7,6

Op langjarige personele verplichtingen (15 jaar) is een disconteringsvoet van 0,2% (2018: 0,7%) opgenomen.

2.3 Langlopende schulden

M€ 8,6 - (2018: M€ 8,7)

  Lease verplichtingen
aan gemeenten
Overige Totaal
Stand per 1 januari 2019 8,2 0,5 8,7
Mutatie ‑0,2 0,1 ‑0,1
Langlopend per 31 december 2019 8,0 0,6 8,6
       
Looptijd > 5 jaar 7,1 0,6 7,7

Lease verplichtingen

De EUR is in 2014 een financial lease met de gemeente Rotterdam aangegaan voor een pand met een looptijd van 40 jaar.

Overige langlopende schulden

Tinbergen Instituut

De langlopende verplichting opgenomen ten behoeve van het Tinbergen Instituut bedraagt ultimo 2019 M€ 0,6. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de participerende partijen (EUR, VU, UVA) is de verdeling van overschotten en/of tekorten opgenomen.

2.4 Kortlopende schulden

M€ 156,2 - (2018: M€ 121,3). Deze schulden zijn als volgt uit te splitsen:

  2019   2018  
Crediteuren 16,5   17,7  
Gemeenten en GR's 0,3   0,5  
Vooruitgefactureerde en -ontvangen termijnen projecten1 26,4   21,9  
Belastingen en premies soc.verzekeringen 16,4   1,2  
Schulden terzake van pensioenen 2,8   2,5  
Overige kortlopende schulden 0,1   0,2  
    62,5   44,0
Vooruitontvangen college- en lesgelden 49,9   48,5  
Vooruitontvangen baten 3,2   3,6  
Vooruitontvangen sectormiddelen 1,6   0,0  
Vakantiegeld en -dagen 15,8   14,9  
Nog te betalen kosten2 23,2   9,2  
Overige overlopende passiva 0,0   1,1  
    93,7   77,3
    156,2   121,3

Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen

Niet verwerkte rechten

De EUR heeft diverse verhuurovereenkomsten met externe partijen. Het totale recht betreft M€ 4,0.

Niet verwerkte garanties

  • In de samenwerkingsovereenkomst met Samenwerking Short Stay (SSH) Utrecht is vastgelegd dat de EUR tot 01 september 2027 voor M€ 0,1 per jaar garant staat voor de kosten als gevolg van leegstand huisvesting buitenlandse studenten.
  • De EUR zal de eventuele door NWO-WOTRO i.h.k.v. de Sustainable Development Goals te verstrekken subsidie matchen voor een jaarlijksbedrag van M€ 0,1 tot en met 2020.
  • RSM B.V. heeft een bankgarantie gesteld waar RSM B.V. garant staat voor de kosten als gevolg van niet betaalde cursusgelden door deelnemers aan het RSM MBA programma. De totale garantie betreft M€ 0,2.

Niet verwerkte verplichtingen

Andere niet in de balans opgenomen verplichtingen

  • De EUR heeft een overeenkomst met ENGIE Energie B.V. m.b.t. prestatiegericht technisch onderhoud en beheer. De jaarlijkse kosten zijn M€ 1,9.
  • Door de EUR is voor schoonmaakwerkzaamheden een contract afgesloten met Asito B.V. De jaarlijkse kosten zijn M€ 3,9.

Fiscale eenheid
EUR Holding B.V. is samen met haar werkmaatschappijen en RSM B.V. opgenomen in de fiscale eenheid voor de omzetbelasting met de Erasmus Universiteit Rotterdam. Op grond van de invorderingswet is de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de door de combinatie verschuldigde belastingen.

  Korter dan
1 jaar
Tussen 1 en 5 jaar Langer dan
5 jaar
Totaal 31 dec. 2019
Rechten 1,8  3,6  0,1  5,5 
Garanties 0,6  1,3  0,3  2,2 
         
Niet verwerkte verplichtingen        
Huur huisvesting 0,7 2,5 1,7 4,9
Huur apparatuur 0,0 0,0 0,0 0,0
Softwarelicenties 2,0 2,1 0,0 4,1
Uitgeverslicenties 0,5 0,2 0,0 0,7
Investeringen 2,1 0,9 0,0 3,0
Claims 5,1 0,0 0,0 5,1
Andere niet in de balans opgenomen verplichtingen 13,6 9,9 0,0 23,5
Totaal verplichtingen 24,0 15,6 1,7 41,3

Toelichting behorende tot de geconsolideerde staat van baten en lasten

3.1 Rijksbijdragen

M€ 311,7 - (2018: M€ 300,3)

  2019 2018
Rijksbijdrage OCW 404,0 391,4
Af: inkomensoverdracht van Rijksbijdragen ‑92,3 ‑91,1
  311,7 300,3

De door het ministerie van OCW toegekende Rijksbijdrage 2019 bedroeg M€ 406,3. Hierop is direct in mindering gebracht een bijstelling van de vordering op OCW uit hoofde van bama-compensatie ad M€ 0,6, uitkering kasbeperking ad M€ 0,2 en sectormiddelen voor het universitair onderzoek in de sociale en de geesteswetenschappen (Social Sciences and Humanities, SSH) ad M€ 1,6. Op de Rijksbijdrage is in mindering gebracht de toegewezen Rijksbijdrage voor de werkplaatsfunctie AZ van M€ 92,3.

3.2 College-, cursus-, les- en examengelden

M€ 62,4 - (2018: M€ 61,2)

  2019 2018
Collegegelden 62,4 61,2

Het collegegeld laat t.o.v. 2018 een stijging zien van M€ 1,2 dat o.a.wordt veroorzaakt door een combinatie van verhoging van het collegegeldtarief en meer inschrijvingen.

3.3 Baten werk in opdracht van derden

M€ 205,0 - (2018: M€ 191,6). Onder ‘Baten werk in opdracht van derden’ zijn alle opbrengsten van de dienstverleningsprojecten verantwoord naar rato van de besteding.

  2019   2018  
Contractonderwijs   47,9   50,2
Contractonderzoek        
Overige non-profit organisaties 29,2   28,9  
Bedrijven en overig 46,8   41,3  
Nationale overheden 13,1   8,6  
Internationale organisaties 29,7   27,7  
NWO (excl. ZonMw) 29,5   24,0  
    148,3   130,5
Overige   8,8   10,9
    205,0   191,6

3.4 Overige baten

M€ 101,7 - (2018: M€ 96,3). Deze opbrengsten zijn als volgt te rubriceren:

  2019 2018
Verhuur 3,8 3,8
Detachering personeel 19,9 20,3
Schenking 0,3 0,4
Sponsoring 0,7 0,6
Deelnemerbijdragen 0,7 0,6
Studentenbijdragen 2,0 2,0
Catering 0,1 0,1
Overige 74,2 68,5
  101,7 96,3
Specificatie overige baten - overige 2019 2018
Pro Rata BTW 0,9 0,6
Bijdragen van derden1 57,4 51,3
Opbrengst uit dienstverlening 13,0 13,6
Overige 2,9 3,0
  74,2 68,5

4.1 Personeelslasten

M€ 467,7 - (2018: M€ 425,6). De personele uitgaven zijn als volgt onder te verdelen:

  2019   2018  
Lonen en salarissen 317,8   294,6  
Sociale lasten 38,0   35,1  
Pensioenlasten 46,7   40,3  
    402,5   370,0
Dotatie personele voorzieningen1 6,7   5,3  
Personeel niet in loondienst 37,8   33,0  
Overige 23,3   19,7  
Overige personele lasten   67,8   58,0
Af: uitkeringen   ‑2,6   ‑2,4
    467,7   425,6

Personeelsopbouw

Gemiddeld aantal fte's 2019 2018
EUR sec 2.474 2.343
EUR Holding B.V. 248 249
RSM B.V. 114 103
Erasmus Sport Centrum 17 17
Erasmus Sportaccommodaties 0 0
Erasmus MC (niet in dienst van de EUR) 2.387 2.230
Totaal 5.239 4.941

De rapportage van de medewerkers Erasmus MC incl. de hierin geconsolideerde B.V.’s zijn opgenomen in de jaarrekening van het Erasmus MC

4.2 Afschrijvingen

M€ 37,2 - (2018: M€ 33,1)

  2019 2018
Immateriële vaste activa 1,0 1,1
Materiële vaste activa1 36,2 32,0
  37,2 33,1

4.3 Huisvestingslasten

M€ 27,3 - (2018: M€ 29,4)

  2019 2018
Huur 2,6 2,7
Verzekeringen 0,3 0,2
Onderhoud 10,6 9,1
Energie en water 6,2 7,5
Schoonmaakkosten 4,0 3,7
Belastingen en heffingen 3,4 3,5
Overige 0,2 2,7
  27,3 29,4
Specificatie huisvestingslasten - overige 2019 2018
Milieuverplichtingen en -risico's¹ 0,1 0,1
Sloopvoorziening ‑2,0 0,2
Bewaking en beveiliging 1,7 1,8
Overige 0,4 0,6
  0,2 2,7

4.4 Overige lasten

M€ 157,8 - (2018: M€ 153,3)

  2019 2018
Administratie- en beheerskosten 0,9 1,1
Inventaris en apparatuur¹ 25,6 22,3
Dotatie voorziening verlieslatende contracten 0,0 ‑4,4
Overige2 131,3 134,3
  157,8 153,3
Specificatie overige lasten - overige 2019 2018
Gebruik- en verbruiksgoederen 24,3 44,6
Subsidies 19,4 17,9
Reis- en verblijfskosten 17,6 14,0
Uitbestede werkzaamheden 23,0 23,9
Algemene kosten 13,8 10,7
Boeken, tijdschriften e.d. 7,7 7,8
Org.- en juridische adviezen 1,3 1,2
Representatiekosten 4,4 4,4
Overige 19,8 9,8
  131,3 134,3

De volgende honoraria van accountantsorganisaties zijn ten laste gebracht van de onderneming, haar dochtermaatschappijen en andere maatschappijen die zij consolideert, een en ander zoals bedoeld in artikel 2:382a lid 1 en 2 BW.

Bedragen in k€ Honorarium huisaccountant Deloitte
(Basis activiteiten)
  Honorarium huisaccountant Deloitte (Netwerk *1)   Honorarium overige acc. organisaties (tbv netwerkplus benadering) Totaal 2019
- Onderzoek van de jaarrekening 408,3   0,0   23,5 431,8
- Andere controle opdrachten 194,8   0,0   27,2 222,0
- Adviesdiensten op fiscaal terrein 0,0   31,5   2,5 34,0
- Andere niet controle diensten 0,0   300,5   155,0 455,5
Totaal 603,1   332,0   208,2 1143,3
Bedragen in k€ Honorarium huisaccountant Deloitte
(Basis activiteiten)
  Honorarium huisaccountant Deloitte (Netwerk *1)   Honorarium overige acc. organisaties (tbv netwerkplus benadering) Totaal 2018
- Onderzoek van de jaarrekening 441,3   0,0   29,5 470,8
- Andere controle opdrachten 101,0   0,0   11,9 112,9
- Adviesdiensten op fiscaal terrein 0,0   12,7   0,0 12,7
- Andere niet controle diensten 0,0   169,0   224,9 393,9
Totaal 542,3   181,7   266,3 990,3

De EUR past de Netwerk-Plus benadering toe in bovenstaand overzicht.

Deloitte Netwerk *1: onder netwerk *1 zijn opgenomen: Deloitte Consulting, Deloitte Belastingadviseurs en eventuele buitenlandse Deloitte organisaties.

5 Financiële baten en lasten

M€ -0,3 - (2018: M€ -0,2)

  2019 2018
Rentebaten  0,3   0,3 
Waardeveranderingen fin.vaste activa en effecten* ‑0,5 ‑0,4
Rentelasten ‑0,1 ‑0,1
  ‑0,3 ‑0,2

6 Belastingen

M€ 0,1 – (2018: M€ 0,6)

  2019 2018
Belastingen 0,1 0,6

Hieronder is de verplicht af te dragen vennootschapsbelasting door de EUR Holding B.V. (M€ 0,05) en RSM B.V. (M€ 0,05) verantwoord.

7 Resultaat aandeel van derden

M€ 18,5 - (2018: M€ 11,7)

  2019 2018
Erasmus MC 18,5 11,7

Gebeurtenissen na balansdatum

De uitbraak van het Coronavirus (COVID-19), een virus dat potentieel dodelijke luchtweginfecties veroorzaakt, begon in China (Wuhan) en verspreidde zich daarna in Europa en de rest van de wereld. Door de snelle verspreiding van het virus en de daarmee gepaard gaande noodmaatregelen die de regeringen van de getroffen landen opleggen, heeft dit virus impact op de economische omstandigheden wereldwijd. De duur van de getroffen maatregelen zal afhangen van de ontwikkeling van de uitbraak van het virus.

De EUR heeft in navolging van de opgelegde maatregelen van de regering haar activiteiten op een andere manier vormgegeven en de activiteiten op de campus tot een minimum beperkt. Colleges worden online verzorgd en studenten en medewerkers werken zoveel mogelijk vanuit huis. De vraag is hoe groot dat effect zal zijn en welk impact dit zal hebben op de financiële positie van de universiteit. De vraag is dan ook welk effect wordt verwacht op de omzet, het resultaat, de liquiditeit en het eigen vermogen van de EUR. Uit een inventarisatie blijkt dat de financiële effecten van de coronacrisis (vooral voor op de lange termijn) lastig in te schatten zijn. De inschattingen kennen dan ook forse onzekerheden en een grote differentiatie tussen de faculteiten, hetgeen ook voor de universiteiten onderling geldt. De verwachtingen zijn dynamisch en worden tussentijds bijgesteld. De ontwikkelingen in de crisis en de landelijke afspraken die bijvoorbeeld met betrekking tot compensatie zijn gemaakt, zorgen ervoor dat de inschatting tussentijds wijzigt. De eerste schatting is, dat de verwachte effecten van covid-19 in 2020 tussen M€ 8,0 - M€ 11,0 voor de faculteiten en de professionele dienstverlening op de Campus Woudestein zijn. De effecten voor de Woudestein BV’s zijn voor 2020 ongeveer M€ 5,0. De schattingen zijn echter vroege schattingen die nog steeds hoge niveaus van onzekerheid bevatten. Het negatieve effect op het resultaat wordt veroorzaakt door de verwachte inkomstenderving, met name door minder instroom van (internationale) studenten, en door extra kosten. De verwachte extra kosten worden vooral veroorzaakt door extra kosten voor Studentenhuisvesting, vertraging in onderzoeksprojecten en extra IT-kosten en meer gebruik van uitzendbureaus. Op basis van de huidige inschatting is de conclusie, dat de continuïteit van de EUR Woudestein, de EUR Holding B.V. met haar werkmaatschappijen en RSM B.V. is gewaarborgd. Het eigen vermogen van de EUR is voldoende toereikend om de negatieve effecten van de coronacrisis op te vangen. EUR Woudestein heeft ook voldoende liquiditeit om de additionele kosten op te vangen. De huidige inschatting van de financiële effecten geeft wel een beeld, maar het is voorbarig om hier nu al conclusies aan te verbinden.  De financiële effecten zullen daarom verder worden gemonitord en geanalyseerd.

Geconsolideerde partijen

Naam Juridische vorm Statutaire
zetel
Deelname % Code * Act. Eigen vermogen 31 dec. 2019 Resultaat 2019 Omzet 2019 Art 2:403 BW Consolidatie
EUR Holding B.V. BV Rotterdam 100 3 24,8 ‑0,2 35,8 Nee Ja
Meegecon-solideerde partijen van EUR Holding B.V.                  
Corporate Communication Centre (CCC) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 0,9 0,0 0,9 Nee Ja
Erasmus Marketing Institute (EMI) B.V. BV Rotterdam 100 1 0,1 ‑0,1 0,0 Nee Ja
Instituut SMO B.V. BV Den Haag 100 2 0,1 ‑0,1 0,1 Nee Ja
Fiscaal Economisch Instituut (FEI) B.V. BV Rotterdam 100 1 1,1 0,0 0,2 Nee Ja
Erasmus Academie B.V. BV Rotterdam 100 1,2 1,2 0,0 3,0 Nee Ja
Erasmus University Centre for Contract Research and Business Support (ERBS) B.V. BV Rotterdam 100 2 0,2 ‑0,1 1,3 Nee Ja
Erasmus Universiteit Rotterdam Accountancy, Auditing en Controlling (EURAC) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 5,6 0,5 9,6 Nee Ja
RISBO Contractresearch B.V. BV Rotterdam 100 2 1,8 0,1 1,0 Nee Ja
Sociaal-Economisch Onderzoek Rotterdam (SEOR) B.V. BV Rotterdam 100 2 0,6 0,0 0,9 Nee Ja
Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 5,9 0,1 0,2 Nee Ja
Erasmus Centre for Urban, Port and Transport Economics (EUPT) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 1,0 0,1 1,8 Nee Ja
Erasmus SmartPort Rotterdam (ESPR) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 0,6 0,0 0,8 Nee Ja
Erasmus Centre for Entrepreueurship B.V. Holland Entrepreneurship (ECE) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 0,1 0,0 1,0 Nee Ja
Erasmus Centrum voor Zorgbestuur B.V. (ECZ B.V.) BV Rotterdam 100 1 2,0 0,1 2,4 Nee Ja
Institute for Medical Technology Assessment (iMTA) B.V. BV Rotterdam 100 2 1,5 0,1 1,4 Nee Ja
Dutch Research Institute for Transitions (DRIFT) B.V. BV Rotterdam 100 1,2 0,6 0,0 2,1 Nee Ja
Erasmus Institute for Business Economics (EIBE) B.V. BV Rotterdam 100 2 1,2 ‑0,6 0,0 Nee Ja
EURFlex B.V. BV Rotterdam 100 3 0,6 0,1 0,0 Nee Ja
EQI B.V. BV Rotterdam 100 2 0,1 0,0 1,5 Nee Ja
ESL ExEd B.V. BV Rotterdam 100 1 ‑0,8 ‑0,2 0,4 Nee Ja
RSM B.V. BV Rotterdam 100 1,2 11,2 0,2 21,2 Nee Ja
Meegecon-solideerde partij van RSM B.V.                  
RSM Executive Education B.V. BV Rotterdam 100 1 0,4 0,1 0,6 Nee Ja
Erasmus MC O&O Holding B.V. BV Rotterdam 100 2 16,2 1,7 0,1 Nee Ja
Meegecon-solideerde partijen van Erasmus MC O&O Holding B.V.                  
Sophia Research B.V. BV Rotterdam 100 2 8,7 1,3 27,4 Nee Ja
Thoraxcentrum Research B.V. BV Rotterdam 100 2 4,2 0,3 5,5 Nee Ja
ViroNovative B.V. BV Rotterdam 100 2 1,5 0,1 1,4 Nee Ja
Eurza Arbo B.V. BV Rotterdam 100 2 0,0 0,0 0,0 Nee Ja
Neurasmus B.V. BV Rotterdam 100 2 0,0 0,0 0,4 Nee Ja
Erasmus MC Diabetesstation B.V. BV Rotterdam 78 2 0,0 0,0 0,0 Nee Ja
Erasmus MC Schiermonnikoog B.V. BV Rotterdam 100 2 0,0 0,0 0,0 Nee Ja
MI&EUR Implementation and Exploitation B.V. BV Rotterdam 100 2 1,1 0,0 0,2 Nee Ja
                   
Erasmus Sport Centrum Stichting Rotterdam 0 3 0,9 0,0 3,0 Nee Ja
Erasmus Sport-accommodaties Stichting Rotterdam 0 3 0,0 0,0 0,0 Nee Ja
Universitair Historisch Kabinet van de Erasmus Universiteit Stichting Rotterdam 0 3 0,0 0,0 0,0 Nee Ja

Enkelvoudige balans per 31 december 2019 na resultaatbestemming

in M€         2019 2018
1. ACTIVA          
             
  Vaste activa          
1.1 Immateriële vaste activa       4,7 3,8
1.2 Materiële vaste activa       255,5 263,9
1.3 Financiële vaste activa       37,9 39,3
             
  Totaal vaste activa       298,1 307,0
             
             
  Vlottende activa          
1.4 Voorraden       0,1 0,1
1.5 Vorderingen       28,5 25,5
1.6 Liquide middelen       71,9 59,0
             
  Totaal vlottende activa       100,5 84,6
             
  Totaal activa       398,6 391,6
             
             
2. PASSIVA          
             
2.1 Eigen vermogen       241,5 269,6
             
2.2 Voorzieningen       21,2 23,3
2.3 Langlopende schulden       8,6 8,7
2.4 Kortlopende schulden       127,3 90,0
             
  Totaal passiva       398,6 391,6

Enkelvoudige staat van baten en lasten over 2019

in M€         Rekening
2019
Begroting
2019
Rekening
2018
3. BATEN            
3.1 Rijksbijdragen       311,7  304,2  300,3
3.2 College-, cursus-, les- en examengelden       62,4  61,4  61,2
3.3 Baten werk in opdracht van derden       29,4  35,8  33,1
3.4 Overige baten       26,4  28,0  26,5
               
  Totaal baten       429,9  429,4  421,1
               
               
               
4. LASTEN            
4.1 Personeelslasten       238,6  218,2  224,6
4.2 Afschrijvingen       18,6  22,9  17,3
4.3 Huisvestingslasten       17,5  20,7  19,5
4.4 Overige lasten       183,2  170,5  165,7
               
  Totaal lasten       457,9  432,3  427,1
               
               
  Saldo baten en lasten       ‑28,0 ‑2,9 ‑6,0
               
               
5. Financiële baten en lasten       ‑0,1  0,2  ‑0,1
               
6. Resultaat deelnemingen       0,0 ‑0,3 1,6
               
  Resultaat       ‑28,1 ‑3,0 ‑4,5

Enkelvoudige kasstroomoverzicht over 2019

in M€ 2019   2018  
Kasstroom uit operationele activiteiten        
Resultaat uit gewone bedrijfsvoering   ‑28,0   ‑6,0
         
Aanpassingen voor aansluiting bedrijfsresultaat        
Aanpassingen voor afschrijvingen 18,6   17,3  
Toename (afname) van voorzieningen ‑2,1   1,4  
Overige aanpasingen voor aansluiting met het bedrijfsresultaat 0,0   0,0  
    16,5   18,7
Veranderingen in werkkapitaal        
Toename (afname) van voorraden 0,0   0,0  
Toename (afname) van kortlopende vorderingen ‑3,0   ‑0,1  
Toename (afname) van kortlopende schulden 37,5   6,7  
    34,5   6,6
Kasstroom uit bedrijfsoperaties   23,0   19,3
         
Ontvangen interest   0,0   0,0
Betaalde interest   0,1   0,1
Totaal kasstroom uit operationele activiteiten   22,9   19,2
         
Kasstroom uit investeringsactiviteiten        
Verwerving van immateriële vaste activa 1,8   0,0  
Verwerving van materiële vaste activa 9,3   16,8  
Ontvangsten uit hoofde van vervreemding van materiële vaste activa 0,0   0,0  
Investeringen in deelnemingen en samenwerkingsverbanden ‑0,4   ‑0,6  
Toename (afname) leningen aan OCW en EZ ‑0,6   ‑0,6  
Toename (afname) overige financiële vaste activa 0,0   0,0  
Totaal kasstroom uit investeringsactiviteiten   ‑10,1   ‑15,6
         
Kasstroom uit financieringsactiviteiten        
Toename (afname) langlopende schulden 0,0   0,0  
Ontvangsten of aflossingen langlopende schulden 0,1   0,3  
Totaal kasstroom uit financieringsactiviteiten   0,1   ‑0,3
Overige balansmutaties        
Toename (afname) van liquide middelen   12,9   3,3
         
Stand liquide middelen per 1 januari   59,0   55,7
Stand liquide middelen per 31 december   71,9   59,0
Mutatie liquide middelen   12,9   3,3

Grondslagen behorende tot de enkelvoudige jaarrekening

Algemeen

Grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De enkelvoudige jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de stellige uitspraken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, die uitgegeven is door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Deze bepalingen zijn van toepassing op grond van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. In de jaarrekening zijn de bedragen vermeld in miljoenen euro’s (tenzij anders aangegeven).

Grondslagen van waardering en van resultaatbepaling
De grondslagen van waardering en van resultaatbepaling voor de enkelvoudige jaarrekening zijn gelijk aan die voor de geconsolideerde jaarrekening. Voor de grondslagen van de waardering van activa en passiva en voor de bepaling van het resultaat wordt verwezen naar de toelichting op de geconsolideerde balans en staat van baten en lasten. Voor zover posten uit de enkelvoudige balans en de enkelvoudige staat van baten en lasten hierna niet nader zijn toegelicht, wordt verwezen naar de grondslagen op de geconsolideerde balans en staat van baten en lasten.

Deelnemingen
Deelnemingen in groepsmaatschappijen en overige deelnemingen waarin invloed van betekenis kan worden uitgeoefend worden gewaardeerd volgens de nettovermogenswaarde methode. Invloed van betekenis wordt in ieder geval verondersteld aanwezig te zijn bij het kunnen uitbrengen van 20% of meer van de stemrechten.

Grondslagen voor de WNT
De Wet normering topinkomens (WNT) brengt met zich mee dat zowel de bezoldiging als een eventuele vergoeding bij beëindiging van het dienstverband aan maxima zijn gebonden. Het wettelijk bezoldigingsmaximum in 2019 is € 194.000. Dit maximum is samengesteld uit de componenten beloning, belastbare vaste en variabele onkosten- vergoedingen en voorzieningen beloning betaalbaar op termijn. De WNT bepaalt dat als ontslagvergoeding voor een bestuurder maximaal een bedrag € 75.000 bruto overeengekomen mag worden.

Toelichting behorende tot de enkelvoudige balans

1.1 Immateriële vaste activa

M€ 4,7 - (2018: M€ 3,8)

  Ontwikkelings-
kosten
Conc. Verg. & rechten
v. Intell. Eigendom
Vooruitbetalingen Totaal
Aanschafprijs 0,0 8,4 0,0 8,4
Cum.afschr. en waardeverminderingen 0,0 ‑4,6 0,0 ‑4,6
Boekwaarde 1 januari 2019 0,0 3,8 0,0 3,8
         
Investeringen 0,0 1,8 0,0 1,8
Desinvesteringen 0,0 0,0 0,0 0,0
Mutatie 0,0 0,0 0,0 0,0
Afschrijvingen 0,0 ‑0,9 0,0 ‑0,9
Afschrijving op desinvestering 0,0 0,0 0,0 0,0
         
Aanschafprijs 0,0 10,2 0,0 10,2
Cum.afschr. en waardeverminderingen 0,0 ‑5,5 0,0 ‑5,5
Boekwaarde 31 december 2019 0,0 4,7 0,0 4,7

1.2 Materiële vaste activa

M€ 255,5 - (2018: M€ 263,9)

  Gebouwen en terreinen Inventaris en app. (incl. 1ste inrichting) In uitvoering en vooruitbetalingen Totaal
Aanschafprijs 392,8 34,3 8,8 435,9
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑154,5 ‑17,5 0,0 ‑172,0
Boekwaarde 1 januari 2019 238,3 16,8 8,8 263,9
         
Investeringen 0,1 1,9 7,3 9,3
Desinvesteringen ‑0,4 ‑3,8 0,0 ‑4,2
Mutatie 6,7 0,8 ‑7,5 0,0
Afschrijvingen ‑13,4 ‑4,3 0,0 ‑17,7
Afschrijving op desinvestering 0,4 3,8 0,0 4,2
         
Aanschafprijs 399,2 33,2 8,6 441,0
Cum.afschr. en waardeverminderingen ‑167,5 ‑18,0 0,0 ‑185,5
Boekwaarde 31 december 2019 231,7 15,2 8,6 255,5

De EUR is in 2014 een financial lease met de gemeente Rotterdam aangegaan voor een onderwijsgebouw met een looptijd van 40 jaar. De netto investering zoals verantwoord in de post Gebouwen en terreinen bedroeg in 2014 M€ 9,5. Dit pand is geen juridisch eigendom van de EUR.

WOZ en verzekerde waarde gebouwen / terreinen, bedrijfsuitrusting / inventaris en boeken / mediacollectie (in M€)

  WOZ-
waarde
Peildatum Verzekerde
waarde
Peildatum
Gebouwen en terreinen 340,2 2018 490,1 2017
Bedrijfsuitrusting en inventaris     150,8 2017
Boeken en mediacollectie     20,2 2017

1.3 Financiële vaste activa

M€ 37,9 - (2018: M€ 39,3)

  Stand per 01 jan. 2019 Invest.en verstr.leningen Desinvest.en aflossingen Aandeel in result.deeln. Stand per 31 dec. 2019
Deeln. in groepsmaat- schappijen 36,4 0,0 ‑0,4 0,0 36,0
Vord. op groepsmaat- schappijen 1,2 0,0 ‑0,4 0,0 0,8
Vorderingen op OCW 1 1,6 0,0 ‑0,6 0,0 1,0
Overige vorderingen 2 0,1 0,0 0,0 0,0 0,1
Totaal 39,3 0,0 ‑1,4 0,0 37,9
Naam Juridische
vorm
Statutaire
zetel
Code activiteiten* Eigen vermogen 31 dec. 19 Exploitatiesaldo 2019 Omzet Verklaring
art. 2:403 BW
ja/nee
Consolidatie percentage Deelname percentage
EUR
Holding B.V.
BV Rotterdam 1/2/3 24,8 ‑0,2 35,8 nee 100% 100%
RSM B.V. BV Rotterdam 1/2 11,2 0,2 21,2 nee 100% 100%
Totaal       36,0 0,0 57,0      
Naam verbonden partij Omschrijving doelstelling Samenstelling van bestuur en directie
EUR Holding B.V. Het ten behoeve van de primaire activiteiten van de Universiteit faciliteiten in de vorm van werkmaatschappijen te bieden (100% dochters van de EUR Holding) waarin onderwijs en
onderzoek kunnen worden ondergebracht indien universitaire onderdelen daar redenen voor zien.
Prof. dr. H.R. Commandeur / Directeur
Rotterdam School of Management B.V. Het organiseren en het (doen) verzorgen van privaat-gefinancierde, door Erasmus Universiteit Rotterdam geaccrediteerde niet-initiële managementopleidingen (fulltime dan wel parttime) op het gebied van de bedrijfskunde, zulks in nauwe samenhang met de opleidingen, die worden
verzorgd door Erasmus Universiteit Rotterdam, meer in het bijzonder de faculteit der Bedrijfskunde van
de EUR.
Mr. prof. dr. E. Waarts / Statutair Directeur
Mr. R.S. Hageman / Statutair Directeur

Vlottende activa

1.4 Voorraden

M€ 0,1 - (2018: M€ 0,1)

  2019 2018
Gebruiksgoederen 0,1 0,1

1.5 Vorderingen

M€ 28,5 - (2018: M€ 25,5)

  2019   2018  
Debiteuren 4,5   5,5  
OCW1 0,9   1,1  
Gemeenten en GR's 0,1   0,3  
Groepsmaatschappijen 4,5   3,9  
Studenten / deelnemers / cursisten 1,1   1,2  
Waardering onderhanden projecten 4,2   2,8  
Voorzieningen wegens oninbaarheid vorderingen ‑1,1   ‑1,1  
    14,2   13,7
Vooruitbetaalde kosten 4,6   4,2  
Verstrekte voorschotten 0,4   0,4  
Overige overlopende activa 9,3   7,2  
Overlopende activa   14,3   11,8
    28,5   25,5

Alle vorderingen hebben een looptijd korter dan een jaar.

Waardering onderhanden projecten

Nog te declareren projectkosten 2019 2018
Gerealiseerde projectkosten 26,5 17,0
Voorlopige resultaten 0,0 0,0
Gedeclareerde termijnen ‑22,3 ‑14,2
  4,2 2,8

Het verloop van de voorziening wegens oninbaarheid is als volgt:

  2019 2018
Stand per 1 januari ‑1,1 ‑1,1
Overige mutaties 0,0 0,0
Stand per 31 december ‑1,1 ‑1,1

1.6 Liquide middelen

M€ 71,9 - (2018: M€ 59,0). Het saldo liquide middelen is als volgt opgebouwd:

  2019 2018
Tegoeden op bankrekeningen 3,5 1,8
Schatkistbankieren 68,4 57,2
  71,9 59,0

De liquide middelen staan vrij ter beschikking.

2.1 Eigen vermogen

M€ 241,5 - (2018: M€ 269,6)

Het eigen vermogen is opgebouwd uit de algemene reserve en bestemmingsreserves en –fondsen (onderverdeeld naar publiek c.q. privaat).

Het verloop in het eigen vermogen is als volgt:

  Stand per 01 jan. 2019 Mutatie Resultaat Stand per 31 dec. 2019
Algemene reserve 110,6 8,5 ‑26,9 92,2
         
Bestemmingsreserve (publiek)        
Strategische ruimte¹ 22,6 ‑6,8 0,0 15,8
Gelden vanwege het sectoroverleg 2,6 0,0 ‑0,3 2,3
Reserve vh verm.uit onroerende goederen² 72,9 0,0 0,0 72,9
Investeringsreserve 2,4 ‑0,2 ‑0,4 1,8
Dividend RSM B.V. 0,8 0,0 0,0 0,8
Vervangingsreserves 0,1 0,0 ‑0,1 0,0
Overige³ 20,8 ‑1,1 ‑0,5 19,2
  122,2 ‑8,1 ‑1,3 112,8
Bestemmingsreserve (privaat)        
EUR Holding B.V. 25,2 ‑0,4 ‑0,1 24,7
Rotterdam School of Management B.V. 11,0 0,0 0,2 11,2
  36,2 ‑0,4 0,1 35,9
Bestemmingsfonds (privaat)        
Tinbergen Instituut 0,4 0,0 0,1 0,5
         
Andere wettelijke reserves        
EUR Holding B.V. 0,2 0,0 ‑0,1 0,1
         
         
  269,6 0,0 ‑28,1 241,5

Het garantievermogen is gelijk aan het eigen vermogen.

De bedragen in de kolom mutatie hebben grotendeels betrekking op:

  • Bijstelling bestemde reserves strategische ruimte M€ 6,8 en overige reserveringen M€ 1,1 ten gunste van de algemene reserve;
  • Dividenduitkering door EUR Holding B.V. aan de EUR ad M€ 0,4.

Voorstel resultaatbestemming

Het nettoresultaat over 2019 is als volgt verdeeld:

       
Algemene reserve     ‑26,9
Bestemmingsreserve (publiek)     ‑1,3
Bestemmingsreserve (privaat)     0,0
Bestemmingsfonds (privaat)     0,1
Andere wettelijke reserves     0,0
Totaal     ‑28,1

Voornoemd nettoresultaat is exclusief het nettoresultaat van het Erasmus MC.

2.2 Voorzieningen

M€ 21,2 - (2018: M€ 23,3)

  Personeelsvoorzieningen Milieuvoorziening Sloopvoorziening Totaal
Stand per 1 januari 2019 13,6 7,7 2,0 23,3
         
Dotaties 7,0 0,2 0,0 7,2
Verandering disconteringsvoet
/ oprenting
0,2 0,3 0,0 0,5
Vrijval ‑1,2 0,0 ‑2,0 ‑3,2
Onttrekkingen ‑6,4 ‑0,2 0,0 ‑6,6
Stand per 31 december 2019 13,2 8,0 0,0 21,2
         
Kortlopende deel < 1 jaar 5,7 0,0 0,0 5,7
Langlopende deel > 1 jaar 7,5 8,0 0,0 15,5

Op de milieu- en sloopvoorziening is geen disconteringsvoet/oprenting toegepast omdat de rentepercentages tot 5 jaar te verwaarlozen zijn.

Personele voorzieningen

De personele voorzieningen zijn als volgt nader onderverdeeld:

  Stand per 1
jan. 2019
Dotatie Verandering disc.voet / oprenting Vrijval Onttrekking Stand per 31 dec. 2019 Kortl.deel
< 1 jaar
Langl. deel
> 1 jaar
Werkloosheidsbijdragen 2,4 1,4 0,0 0,0 ‑1,7 2,1 1,1 1,0
Soc.beleid, reorganisatie en rechtspositioneel 2,4 1,8 0,0 ‑0,8 ‑1,5 1,9 1,0 0,9
Verlof sparen en sabbatical leave 4,2 0,8 0,0 ‑0,3 ‑0,9 3,8 1,7 2,1
Jubileumvoorziening 3,1 0,1 0,2 0,0 ‑0,3 3,1 0,2 2,9
Transitievergoeding 0,7 0,8 0,0 ‑0,1 ‑0,3 1,1 0,6 0,5
Langdurig zieken 0,4 2,1 0,0 0,0 ‑1,3 1,2 1,1 0,1
Overige 0,4 0,0 0,0 0,0 ‑0,4 0,0 0,0 0,0
  13,6 7,0 0,2 ‑1,2 ‑6,4 13,2 5,7 7,5

Op langjarige personele verplichtingen (15 jaar) is een disconteringsvoet van 0,2% (2018: 0,7%) opgenomen.

2.3 Langlopende schulden

M€ 8,6 - (2018: M€ 8,7)

  Lease verplichtingen aan gemeenten Overige Totaal
Stand per 1 januari 2019 8,2 0,5 8,7
Mutatie ‑0,2 0,1 ‑0,1
Langlopend per 31 december 2019 8,0 0,6 8,6
       
Looptijd > 5 jaar 7,1 0,6 7,7

Aflossingsverplichtingen binnen 12 maanden na afloop van het boekjaar ter hoogte van M€ 0,2 zijn niet begrepen in de hierboven genoemde bedragen, maar opgenomen onder de kortlopende schulden.

Lease verplichtingen

De EUR is in 2014 een financial lease met de gemeente Rotterdam aangegaan voor een pand met een looptijd van 40 jaar.

Overige langlopende schulden

Tinbergen Instituut

De langlopende verplichting opgenomen ten behoeve van het Tinbergen Instituut bedraagt ultimo 2019 M€ 0,6. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de participerende partijen (EUR, VU, UVA) is de verdeling van overschotten en/of tekorten opgenomen.

2.4 Kortlopende schulden

M€ 127,3 - (2018: M€ 90,0)

  2019   2018  
Crediteuren 14,5   15,2  
Gemeenten en GR's 0,3   0,5  
Schulden aan groepsmaatschappijen 2,7   2,9  
Vooruitgefactureerde en -ontvangen termijnen projecten1 23,2   18,1  
Belastingen en premies soc.verzekeringen 15,7   0,2  
Schulden terzake van pensioenen 2,8   2,4  
Overige kortlopende schulden 0,0   0,1  
    59,2   39,4
Vooruitontvangen college- en lesgelden 30,2   29,3  
Vooruitontvangen baten 2,6   1,3  
Vooruitontvangen sectormiddelen 1,6   0,0  
Vakantiegeld en -dagen 13,5   13,0  
Nog te betalen kosten2 20,2   5,9  
Overige overlopende passiva 0,0   1,1  
    68,1   50,6
    127,3   90,0

Vooruitgefactureerde en -ontvangen termijnen projecten

Vooruit-gedeclareerde projectkosten 2019 2018
Gerealiseerde projectkosten ‑23,6 ‑48,8
Voorlopige resultaten 0,3 0,4
Gedeclareerde termijnen 46,5 66,5
  23,2 18,1

Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen

Niet verwerkte rechten

  • De EUR heeft diverse verhuurovereenkomsten met verbonden partijen. Het totale recht betreft M€ 3,2.
  • De EUR heeft diverse verhuurovereenkomsten met externe partijen. Het totale recht betreft M€ 4,0.

Niet verwerkte garanties

  • In de samenwerkingsovereenkomst met Samenwerking Short Stay (SSH) Utrecht is vastgelegd dat de EUR tot 01 september 2027 voor M€ 0,1 per jaar garant staat voor de kosten als gevolg van leegstand huisvesting buitenlandse studenten.
  • De EUR zal de eventuele door NWO-WOTRO i.h.k.v. de Sustainable Development Goals te verstrekken subsidie matchen voor een jaarlijksbedrag van M€ 0,1 tot en met 2020.

Niet verwerkte verplichtingen

Andere niet in de balans opgenomen verplichtingen

  • De EUR heeft een overeenkomst met ENGIE Energie B.V. m.b.t. prestatiegericht technisch onderhoud en beheer. De jaarlijkse kosten zijn M€ 1,9.
  • Door de EUR is voor schoonmaakwerkzaamheden een contract afgesloten met Asito B.V. De jaarlijkse kosten zijn M€ 3,9.
  Korter dan
1 jaar
Tussen 1 en 5 jaar Langer dan
5 jaar
Totaal 31 dec. 2019
Rechten 4,2 10,9 0,1 15,2
Garanties 0,5 1,3 0,3 2,1
         
Niet verwerkte verplichtingen        
Huur huisvesting 0,7 2,5 1,7 4,9
Softwarelicenties 2,0 2,1 0,0 4,1
Uitgeverslicenties 0,5 0,2 0,0 0,7
Investeringen 2,1 0,9 0,0 3,0
Claims 5,1 0,0 0,0 5,1
Andere niet in de balans opgenomen verplichtingen 18,7 9,8 0,0 28,5
Totaal verplichtingen 29,1 15,6 1,7 46,3

Toelichting behorende tot de enkelvoudige staat van baten en lasten

3.1 Rijksbijdragen

M€ 311,7 - (2018: M€ 300,3)

  2019 2018    
Rijksbijdrage OCW 404,0 391,4    
Af: Inkomensoverdracht van Rijksbijdragen ‑92,3 ‑91,1    
  311,7 300,3    

De door het ministerie van OCW toegekende Rijksbijdrage 2019 bedroeg M€ 406,3. Hierop is direct in mindering gebracht een bijstelling van de vordering op OCW uit hoofde van bama-compensatie ad M€ 0,6, uitkering kasbeperking ad M€ 0,2 en sectormiddelen voor het universitair onderzoek in de sociale en de geesteswetenschappen (Social Sciences and Humanities, SSH) ad M€ 1,6. Op de Rijksbijdrage is in mindering gebracht de toegewezen Rijksbijdrage voor de werkplaatsfunctie AZ van M€ 92,3.

3.2 College-, cursus-, les- en examengelden

M€ 62,4 - (2018: M€ 61,2)

  2019 2018    
Collegegelden 62,4 61,2    

Het collegegeld laat t.o.v. 2018 een stijging zien van M€ 1,2 dat o.a.wordt veroorzaakt door een combinatie van verhoging van het collegegeldtarief en meer inschrijvingen.

3.3 Baten werk in opdracht van derden

M€ 29,4 - (2018: M€ 33,1) Onder ‘baten werk i.o.v. derden’ zijn alle opbrengsten van de dienstverleningsprojecten verantwoord naar rato van de besteding.

  2019   2018  
Contractonderwijs¹   3,4   8,4
Contractonderzoek        
Overige non-profit organisaties 5,1   4,2  
Bedrijven en overig 1,2   1,0  
Nationale overheden 2,1   3,6  
Internationale organisaties 8,0   6,8  
NWO (excl. ZonMw) 5,7   6,0  
    22,1   21,6
Overige   3,9   3,1
    29,4   33,1

3.4 Overige baten

M€ 26,4 - (2018: M€ 26,5)

  2019 2018    
Verhuur 6,8 6,6    
Detachering personeel 5,2 4,6    
Schenking 0,3 0,4    
Sponsoring 0,7 0,6    
Deelnemerbijdragen 0,4 0,3    
Studentenbijdragen 0,7 0,8    
Overige 12,3 13,2    
  26,4 26,5    
Overige baten specificatie - Overige 2019 2018    
Pro Rata BTW 0,9 0,6    
Bijdrage van derden 5,3 5,8    
Opbrengst uit dienstverlening 4,3 5,2    
Overige 1,8 1,6    
  12,3 13,2    

4.1 Personeelslasten

M€ 238,6 - (2018: M€ 224,6)

  2019   2018  
Lonen en salarissen 152,1   142,8  
Sociale lasten 17,6   16,6  
Pensioenlasten 23,6   20,5  
    193,3   179,9
         
Dotatie personele voorzieningen1 6,0   4,4  
Personeel niet in loondienst 28,1   30,1  
Overige 12,4   11,3  
Overige personele lasten   46,5   45,8
Af: uitkeringen   ‑1,2   ‑1,1
    238,6   224,6

Personeelsopbouw

Gemiddeld aantal fte’s 2019 2018
WP 1.504 1.438
OBP 970 905
Totaal 2.474 2.343

Overzicht Wet Normering Topinkomens

Ingevolge de Wet Normering Topinkomens (WNT) is onderstaand een overzicht opgenomen van bezoldiging (en functie) van medewerkers die in dienst zijn van de rechtspersoon EUR incl. de leden van het CvB. De rapportage van de medewerkers van het Erasmus MC incl. de hierin geconsolideerde B.V.’s, zijn opgenomen in de jaarrekening van het Erasmus MC.

Met ingang van 2016 gaat de klassenindeling van het onderwijs voor de toepassing van de WNT niet langer uit van deelsectoren, maar van een systeem van ‘complexiteitspunten’. Onderdeel van de nieuwe regels is dat elke instelling zichzelf in het financieel verslaggevingsdocument complexiteitspunten toekent volgens een bepaald systeem (vastgelegd in de Regeling bezoldiging topfunctionarissen onderwijssectoren), en daaruit afleidt tot welke klasse zij voor de toepassing van de WNT dient te worden gerekend. De volgende complexiteitspunten zijn van toepassing op de EUR:

OCW-sector Aantal complexiteits-
punten
Gemiddelde totale baten 10
Gemiddeld aantal bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten 5
Het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren 5
Totaal complexiteitspunten 20

Op basis van 20 complexiteitspunten is de maximale score (klasse G) van toepassing. Het wettelijk bezoldigingsmaximum per 1 januari 2019 is € 194.000. Toekening bezoldiging is hiermee in overeenstemming.

WNT Topfunctionarissen

Leidinggevende topfunctionarissen met dienstbetrekking of zonder dienstbetrekking vanaf de 13e maand van de functievervulling of gewezen topfunctionarissen.

Tabel 1a. Bezoldiging topfunctionarissen

  Mevr. K.F.B. Baele Dhr. R.C.M.E. Engels Mevr. R.M. Ritsema van Eck
Dienstbetrekking Ja Ja Ja
Functie(s) Voorzitter CvB Rector Magnificus Lid CvB
Aanvang functie 01-01 01-01 01-01
Einde functie 30-11 31-12 31-12
Taakomvang (fte) 1,0 1,0 1,0
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen  198.839   172.308   172.347 
Beloning betaalbaar op termijn  20.115   21.200   21.147 
Totale bezoldiging 218.954 193.508 193.494
Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum 177.523 194.000 194.000
Motivering overschrijding bezoldigingsnorm Zie note n.v.t. n.v.t.
Aanvang functie vorig verslagjaar 01-01 01-05 01-11
Einde functie vorig verslagjaar 31-12 31-12 31-12
Taakomvang (fte) vorig verslagjaar  1,0   1,0   1,0 
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen  210.106   113.825   27.796 
Beloning betaalbaar op termijn in vorig verslagjaar  20.338   13.011   3.250 
Totale bezoldiging in vorig verslagjaar  230.444   126.836   31.046 
Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum in vorig verslagjaar  189.000   126.863   31.586 

Tabel 1b. Leidinggevende topfunctionarissen zonder dienstbetrekking

  Dhr. H.N.J. Smits Dhr. H.N.J. Smits
Kalenderjaar 2019 2018
Functie(s) Voorzitter CvB a.i. n.v.t.
Aanvang functie 1-12 n.v.t.
Einde functie 31-12 n.v.t.
Aantal kalendermaanden functievervulling in het kalenderjaar 1 n.v.t.
Maximum uurtarief in het kalenderjaar 187 182
Maxima op basis van de normbedragen per maand 25.900 n.v.t.
Individueel toepasselijke maximum gehele periode kalendermaand 1 t/m 12 25.900 25.900
  20.944 20.944
Werkelijk uurtarief lager dan het (gemiddeld) maximum uurtarief? ja n.v.t.
Honorarium in de betreffende periode 20.944 n.v.t.
Totale honorarium gehele periode kalendermaand 1 t/m 12 20.944 20.944
-/- Onverschuldigd betaald en nog niet terugontvangen bedrag n.v.t. n.v.t.
Totale honorarium, exclusief BTW 20.944 20.944
Reden waarom de overschrijding al dan niet is toegestaan n.v.t. n.v.t.
Toelichting op de vordering wegens onverschuldigde betaling n.v.t. n.v.t.

Tabel 1c. Toezichthoudende topfunctionarissen

  Mevr. J.E.J. Prins Mevr. J.E.J. Prins Dhr. H.N.J. Smits Dhr. C.J. van Duijn Dhr. P.H.J.M. Visée Mevr. J.M. van Bijsterveldt - Vliegenthart
Functie(s) Voorzitter RvT Lid RvT Lid RvT Lid RvT Lid RvT Lid RvT
Aanvang functie 01-01 n.v.t. 01-10 01-01 01-01 01-01
Einde functie 31-12 n.v.t. 30-11 31-12 31-12 30-11
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen  28.350  n.v.t.  3.233   19.400   19.400   17.750 
Onverschuldigd betaald en nog niet terugontvangen bedrag n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Totale bezoldiging  28.350  n.v.t.  3.233   19.400   19.400   17.750 
Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum  29.100  n.v.t.  3.242   19.400   19.400   17.752 
Reden waarom de overschrijding al dan niet is toegestaan n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Toelichting op de vordering wegens onverschuldigde betaling n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Aanvang functie vorig verslagjaar 01-05 01-01 01-01 01-01 01-01 01-01
Einde functie vorig verslagjaar 31-12 30-04 30-04 31-12 31-12 31-12
Functie(s) vorig verslagjaar Voorzitter RvT Lid RvT Voorzitter RvT Lid RvT Lid RvT Lid RvT
Bezoldiging in vorig verslagjaar  18.272   5.967   8.949   18.900   18.900   18.900 
Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum in vorig verslagjaar  19.029   6.214   9.321   18.900   18.900   18.900 

Tabel 3a. Bezoldiging niet-topfunctionarissen

Functie(s) Aanvang functie Einde functie Taak-omvang (fte) Beloning plus belastbare onkosten-vergoedingen Beloning betaalbaar op termijn Totale bezoldiging Individueel toepasselijk bezoldigings-maximum Toelichting overschrijding bezoldiging Aanvang functie vorig verslagjaar Einde functie vorig verslagjaar Taakomvang (fte) vorig verslagjaar Beloning plus belastbare onkostenvergoeding in vorig verslagjaar Beloning betaalbaar op termijn in vorig verslagjaar Totale bezoldiging in vorig verslagjaar
Hoogleraar 01-01 31-12 0,8  144.154   17.006   161.160   155.200  1, 2, 4 01-01 31-12 0,8 139.461 15.519 154.980
Hoogleraar 01-01 31-12 0,6  118.663   11.617   130.280   116.400  1, 5 01-01 31-12 0,3 61.408 6.339 67.747
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  214.685   20.842   235.527   194.000  2, 5, 6 01-01 31-12 1,0 218.857 19.143 238.000
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  184.633   21.376   206.009   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 176.972 19.392 196.364
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  189.775   20.447   210.222   194.000  1, 2, 6 01-01 31-12 1,0 165.109 18.324 183.433
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  194.604   21.675   216.279   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 194.412 19.841 214.253
Hoogleraar 01-01 31-12 0,8  158.376   16.804   175.180   155.200  2, 4, 6 01-01 31-12 0,8 154.370 15.286 169.656
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  177.326   21.246   198.572   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 174.739 19.470 194.209
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  204.518   21.683   226.201   194.000  1, 2, 4, 6 01-01 31-12 1,0 218.241 20.240 238.481
Hoogleraar /Decaan 01-01 31-12 1,0  194.882   21.597   216.479   194.000  1, 2, 4, 5 01-01 31-12 1,0 194.629 19.893 214.522
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  211.386   21.776   233.162   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 216.805 20.165 236.970
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  202.355   21.162   223.517   194.000  1, 2, 4, 6 01-01 31-12 1,0 189.217 19.432 208.649
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  182.336   21.255   203.591   194.000  2, 4, 5 01-01 31-12 1,0 181.063 19.527 200.590
Decaan 01-01 31-12 1,0  174.404   21.183   195.587   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 180.175 19.403 199.578
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  190.548   21.222   211.770   194.000  1, 2, 4, 6 01-01 31-12 1,0 170.432 19.094 189.526
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  221.441   22.406   243.847   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 215.713 20.698 236.411
Hoogleraar 01-01 31-12 0,5  89.049   10.870   99.919   97.000  1, 2, 4 01-01 31-12 0,5 96.248 10.027 106.275
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  175.650   20.406   196.056   194.000  2, 4, 6 01-01 31-12 1,0 168.991 19.005 187.996
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  178.678   21.504   200.182   194.000  1, 2, 4 01-01 31-12 1,0 183.895 19.792 203.687
Hoogleraar 01-01 31-12 1,0  193.565   21.419   214.984   194.000  1, 2, 4, 6 01-01 31-12 1,0 168.355 19.093 187.448
Hoogleraar 01-01 31-12 0,2  39.411   4.326   43.737   38.800  1, 2 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.

4.2 Afschrijvingen

M€ 18,6 - (2018: M€ 17,3)

  2019 2018    
Immateriële vaste activa 0,9 0,9    
Materiële vaste activa 17,7 16,4    
  18,6 17,3    

4.3 Huisvestingslasten

M€ 17,5 - (2018: M€ 19,5)

  2019 2018
Huur 1,8 1,8
Verzekeringen 0,3 0,2
Onderhoud 6,0 4,9
Energie en water 2,8 2,9
Schoonmaakkosten 3,9 3,6
Belastingen en heffingen 2,2 2,6
Overige 0,5 3,5
  17,5 19,5
Specificatie huisvestingslasten - overige 2019 2018
Milieuverplichting en -risico's 0,6 1,2
Sloopvoorziening ‑2,0 0,2
Bewaking en beveiliging 1,7 1,8
Overige 0,2 0,3
  0,5 3,5

4.4 Overige lasten

M€ 183,2 - (2018: M€ 165,7)

  2019 2018
Administratie- en beheerskosten 0,4 0,6
Inventaris en apparatuur 11,0 9,8
Dotatie voorziening verlieslatende contracten 0,0 ‑0,1
Overige 171,8 155,4
  183,2 165,7
Specificatie overige lasten - overige 2019 2018
Gebruik- en verbruiksgoederen 0,2  0,3 
Subsidies1 126,3 108,3
Reis- en verblijfskosten 6,2 6,1
Uitbestede werkzaamheden 18,3 19,1
Algemene kosten 3,5 4,2
Boeken, tijdschriften e.d. 6,1 6,2
Org. en juridische adviezen 0,7 0,8
Representatiekosten 2,2 2,4
Overige 8,3 8,0
  171,8 155,4

5 Financiële baten en lasten

M€ -0,1 - (2018: M€ -0,1)

  2019 2018    
Rentelasten ‑0,1 ‑0,1    
  ‑0,1 ‑0,1    

6 Resultaat deelnemingen

M€ 0,0 - (2018: M€ 1,6)

  2019 2018
EUR Holding B.V. ‑0,2 0,8
Rotterdam School of Management B.V. 0,2 0,8
  0,0 1,6

Gebeurtenissen na balansdatum

Voor een beschrijving van de gebeurtenissen na balansdatum relevant voor de EUR, wordt verwezen naar de gebeurtenissen na balansdatum in de toelichting op de geconsolideerde jaarrekening.

Rotterdam, 29 juni 2020  

College van Bestuur    

Ir.drs. H.N.J. Smits, voorzitter a.i.  

Prof. dr. R.C.M.E. Engels, rector magnificus

Drs. R.M. Ritsema van Eck

Rotterdam, 29 juni 2020

Raad van Toezicht

Prof. dr. J.W. Winter, voorzitter

Mr. drs. P.H.J.M. Visée RA

Prof. dr. ir. C.J. van Duijn

Overige gegevens

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: het college van bestuur en de raad van toezicht van de Erasmus Universiteit Rotterdam

A. VERKLARING OVER DE IN HET JAARVERSLAG OPGENOMEN JAARREKENING 2019

Ons goedkeurende oordeel inzake de getrouwheid en ons afkeurende oordeel inzake de rechtmatigheid

Wij hebben de jaarrekening 2019 van de Erasmus Universiteit Rotterdam te Rotterdam gecontroleerd.

Naar ons oordeel:

  • Geeft de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de Erasmus Universiteit Rotterdam op 31 december 2019 en van het resultaat over 2019 in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs;
  • Zijn de in deze jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties over 2019, vanwege het belang van de aangelegenheid beschreven in paragraaf ‘De basis voor ons goedkeurend oordeel inzake de getrouwheid en ons afkeurend oordeel inzake de rechtmatigheid’ voor een bedrag van circa € 27,8 miljoen niet rechtmatig tot stand gekomen in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.3.1 Referentiekader van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2019.

De jaarrekening bestaat uit:

1.   de geconsolideerde en enkelvoudige balans per 31 december 2019;

2.   de geconsolideerde en enkelvoudige staat van baten en lasten over 2019; en

3.   de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

De basis voor ons goedkeurend oordeel inzake de getrouwheid en ons afkeurend oordeel inzake de rechtmatigheid

In de jaarrekening zijn lasten en balansmutaties opgenomen die samenhangen met inkopen in 2019 voor een bedrag van circa € 27,8 miljoen (inclusief BTW) die niet in overeenstemming met de Europese aanbestedingsregels tot stand zijn gekomen.

Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden en het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2019 vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’.

Wij zijn onafhankelijk van de Erasmus Universiteit Rotterdam zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons goedkeurend oordeel inzake de getrouwheid en afkeurend oordeel inzake de rechtmatigheid.

Paragraaf ter benadrukking van de impact van het coronavirus

Het coronavirus heeft ook invloed op de Erasmus Universiteit Rotterdam. In de toelichting op pagina 112 in de jaarrekening heeft het management de huidige impact en haar plannen om met deze gebeurtenissen of omstandigheden om te gaan toegelicht. Ook geeft zij aan dat het op dit moment voor hen niet goed mogelijk is om in te schatten wat de invloed van het coronavirus is op de financiële prestaties en gezondheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ons oordeel is niet aangepast als gevolg van deze aangelegenheid.

Naleving anticumulatiebepaling WNT niet gecontroleerd

In overeenstemming met het Controleprotocol WNT 2019 hebben wij de anticumulatiebepaling, bedoeld in artikel 1.6a WNT en artikel 5, lid 1 sub j Uitvoeringsregeling WNT, niet gecontroleerd. Dit betekent dat wij niet hebben gecontroleerd of er wel of niet sprake is van een normoverschrijding door een leidinggevende topfunctionaris vanwege eventuele dienstbetrekkingen als leidinggevende topfunctionaris bij andere WNT- plichtige instellingen, alsmede of de in dit kader vereiste toelichting juist en volledig is.

B. VERKLARING OVER DE IN HET JAARVERSLAG OPGENOMEN ANDERE INFORMATIE

Naast de jaarrekening en onze controleverklaring daarbij, omvat het jaarverslag andere informatie, die bestaat uit:

  • het bestuursverslag;
  • de overige gegevens;
  • de bijlagen.

Uitgezonderd de gevolgen beschreven in de paragraaf ‘De basis voor ons goedkeurend oordeel inzake de getrouwheid en ons afkeurend oordeel inzake de rechtmatigheid’, zijn wij op grond van onderstaande werkzaamheden van mening dat de andere informatie:

  • met de jaarrekening verenigbaar is en geen materiële afwijkingen bevat;
     
  • alle informatie bevat die op grond van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en paragraaf ‘2.2.2. Bestuursverslag’ van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2019 is vereist.

Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de jaarrekeningcontrole of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat.

Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, paragraaf ‘2.2.2. Bestuursverslag’ van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2019 en de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij de jaarrekening.

Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie, waaronder het bestuursverslag en de overige gegevens in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en de overige OCW wet- en regelgeving.

C. BESCHRIJVING VAN VERANTWOORDELIJKHEDEN MET BETREKKING TOT DE JAARREKENING

Verantwoordelijkheden van het college van bestuur en de raad van toezicht voor de jaarrekening

Het college van bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening, in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Het college van bestuur is ook verantwoordelijk voor het rechtmatig tot stand komen van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties, in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen.

In dit kader is het college van bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het college van bestuur noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude.

Bij het opmaken van de jaarrekening moet het college van bestuur afwegen of de onderwijsinstelling in staat is om haar activiteiten in continuïteit voort te zetten. Op grond van genoemde verslaggevingsstelsel moet het college van bestuur de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling, tenzij het college van bestuur het voornemen heeft om de onderwijsinstelling te liquideren of de activiteiten te beëindigen of als beëindiging het enige realistische alternatief is. Het college van bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de onderwijsinstelling haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten, toelichten in de jaarrekening.

De raad van toezicht is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van de onderwijsinstelling.

Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening

Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.

Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten en fraude ontdekken.

Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fouten of fraude en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.

Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2019, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen. Onze controle bestond onder andere uit:

  • het identificeren en inschatten van de risico’s:
    - dat de jaarrekening afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fouten of fraude,
    - van het niet rechtmatig tot stand komen van baten en lasten alsmede de balansmutaties, die van materieel belang zijn.
    Het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;
     
  • het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de onderwijsinstelling;
     
  • ​​het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving, de gebruikte financiële rechtmatigheidscriteria en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het college van bestuur en de toelichtingen die daarover in de jaarrekening staan;
     
  • het vaststellen dat de door het college van bestuur gehanteerde continuïteitsveronderstelling aanvaardbaar is. Tevens het op basis van de verkregen controle-informatie vaststellen of er gebeurtenissen en omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de onderwijsinstelling haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten. Als wij concluderen dat er een onzekerheid van materieel belang bestaat, zijn wij verplicht om aandacht in onze controleverklaring te vestigen op de relevante gerelateerde toelichtingen in de jaarrekening. Als de toelichtingen inadequaat zijn, moeten wij onze verklaring aanpassen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de controle-informatie die verkregen is tot de datum van onze controleverklaring. Toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat een instelling haar continuïteit niet langer kan handhaven;
     
  • het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de jaarrekening en de daarin opgenomen toelichtingen; en
     
  • het evalueren of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de onderliggende transacties en gebeurtenissen en of de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand zijn gekomen.

Gegeven onze eindverantwoordelijkheid voor het oordeel zijn wij verantwoordelijk voor de aansturing van, het toezicht op en de uitvoering van de groepscontrole. In dit kader hebben wij de aard en omvang bepaald van de uit te voeren werkzaamheden voor de groepsonderdelen. Bepalend hierbij zijn de omvang en/of het risicoprofiel van de groepsonderdelen of de activiteiten. Op grond hiervan hebben wij de groepsonderdelen geselecteerd waarbij een controle of beoordeling van de volledige financiële informatie of specifieke posten noodzakelijk was.

Wij communiceren met de raad van toezicht onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.

Wij bepalen de kernpunten van onze controle van de jaarrekening op basis van alle zaken die wij met de raad van toezicht hebben besproken. Wij beschrijven deze kernpunten in onze controleverklaring, tenzij dit is verboden door wet- of regelgeving of in buitengewoon zeldzame omstandigheden wanneer het niet vermelden in het belang van het maatschappelijk verkeer is.
 

Rotterdam, 9 juli 2020
 

Deloitte Accountants B.V.
 

Was getekend: drs. G.J. Straatman RA

Volgend hoofdstuk: Bijlage 1: Bestuur en medezeggenschap